Geschiedenis

Titulaire kardinalen 


Kard. Walter BRANDMÜLLER

 

Kard. Jan Pieter SCHOTTE
(29/4/1928 - 10/1/2005)

De Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen
picture

In de onmiddellijke omgeving van Largo di Torre Argentina, een plein waarin zich, centraal gelegen, een archeologische site uit de Republikeinse tijd bevindt, valt heel wat te zien. Zo vind je in de smalle Via del Sudario, naast de huisnummers 40-41, discreet, ingebouwd in een palazzo, de San Giuliano dei Fiamminghi, de koninklijke Belgische kerk. Denk er even aan dat deze straat, en dus de gevel van San Giuliano, de rooilijn volgt van het Hecatostylum, de antieke porticus met honderd zuilen van het Theater van Pompeius dat in de eerste eeuw v. Chr. op deze plek werd gebouwd.

De Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen wordt geleid door pater Hugo Vanermen, mSC en is enkel op afspraak te bezoeken. Al meer dan twintig jaar lang kan je elke tweede dinsdag van de maand in de kerk een barokconcert meemaken. Deze concerten worden erg gewaardeerd door de liefhebbers van het genre. Zowel Romeinen als toeristen komen hier naartoe. Om een concert mee te maken moet je reserveren via deze link.  

Blijkbaar trokken de Germaanse volkeren al onmiddellijk na hun bekering naar de cultusplaatsen van de HH. Petrus en Paulus. Ter plaatse werden gauw gasthuizen ingericht, die dienden voor de opvang van pelgrims van het eigen volk. Zo lagen rond de Constantijnse basiliek van Sint-Pieter kleinere centra van de Saksen, de Longobarden, de Friezen en de Franken (het ook nog steeds bestaande Campo Santo Teutonico e dei Fiamminghi).

Vaak situeert men ook (maar ten onrechte) het begin van het hospitium van Sint-Juliaan in Rome in de achtste eeuw, terwijl volgens de overlevering graaf Robrecht II van Vlaanderen op weg naar het Heilig Land in 1096 de stichting bezocht zou hebben. De echte stichtingsdatum blijft echter nog onduidelijk.

De broederschap die de instelling beheerde verwierf eeuwen later heel wat prestige door het bezoek van keizer Karel op 18 april 1536. In de kerk bevindt zich nog steeds een gedenkplaat van dit bezoek. Het archief van San Giuliano bezit een kopie uit 1574 van de statuten en reglementen van het gasthuis uit 1444. Ze geven in detail de organisatie van de stichting met als hoofdopdracht het verzorgen der zieken en het begraven der doden. Dat laatste gebeurde rond de kapel, de resten van deze overleden Vlamingen liggen nog steeds begraven onder de vloer van de huidige kerk.

Het hospitium voor Vlamingen was oorspronkelijk niet aan een bepaalde heilige verbonden. Toen er vanaf het begin van de dertiende eeuw in Vlaanderen verschillende gasthuizen werden opgericht gewijd aan de heilige Juliaan, werd in 1213 ook in Rome het Vlaamse hospitium onder de bescherming geplaatst van dit toonbeeld van gastvrijheid. Wie deze Giuliano Ospedaliero was vertelt Gustave Flaubert (1821-1880) in de novelle uit 1877 ‘La légende de saint Julien l’Hospitalier’.

Juliaan was een bandeloze man die op een dag toen hij van de jacht thuiskwam in zijn echtelijke bed twee mensen innig omstrengeld aantrof. Hij trok zijn zwaard en reeg in een vlaag van jaloezie in één magistrale stoot beide lichamen aan het lemmet. Maar toen hij het laken wegtrok bleek dat Juliaan zijn ouders had vermoord, die hem waren komen verrassen met een bezoek en in afwachting van zijn thuiskomst even van de reis wilden uitrusten.

Juliaan bekeerde zich en stichtte op verschillende plaatsen opvanghuizen als rustplaats voor zwervers en pelgrims. Naar de heilige Juliaan wordt ook verwezen in de Decamerone (1350) van Giovanni Boccaccio, waar tijdens de tweede dag bij de tweede vertelbeurt de koopman Rinaldo d’ Asti zegt dat hij elke morgen bidt voor de zielenrust van de vader en de moeder van Sint-Juliaan. Als dank zorgt de heilige ervoor dat de koopman elke dag een degelijke rustplaats vindt tijdens zijn vele zakenreizen. 

Het eerste ‘hospitium’ in de Lage Landen bestond reeds in de tiende eeuw in Maastricht. In Vlaanderen was het wachten tot 1090 in Leuven en 1127 in Brussel. Ook Mechelen kreeg een Godshuis van Sint-Juliaan dat het Passantenhuis genoemd werd. Het werd gesticht in 1293 en elke pelgrim of reiziger kon er verzorging en onderdak vinden. Na de inval van de Franse troepen in 1795 werd het Mechelse huis een militair hospitaal en later een kazerne. Vandaag vinden we in de Keizerstraat enkel nog de kapel die bewaard is gebleven, net naast het later gebouwde paleis van Margaretha van Oostenrijk (1480-1530).

In de Antwerpse Hoogstraat, nu nr. 70, werd in het begin van de veertiende eeuw het Sint-Juliaangastenhuis opgericht, het allereerste nachtverblijf van de metropool. Arme reizigers kregen er maximaal drie dagen gratis onderdak. In 1970 vestigde de flamboyante Adriaan Raemdonck er de gekende kunstgalerij Zwarte Panter. Wel werd de traditie behouden om er op Witte Donderdag een pelgrimstafel te organiseren.

In het begin van de zestiende eeuw gaf de herontdekte cultuur van de klassieke oudheid aan Rome een bijkomende aantrekkingskracht. Onder invloed van de prachtlievende Renaissancepausen werd de stad een centrum van cultuur, een aantrekkingspool voor schilders, beeldhouwers, musici en geleerden. Verzekerd van de steun van stichtingen zoals San Giuliano, werd Rome vanaf de vijftiende tot de zeventiende eeuw een ware immigratieplaats voor Vlamingen.

Rijke Vlamingen in Rome zetelden in de beheerraad van het hospitium en waren lid van de hieraan verbonden broederschap van Sint-Juliaan. Deze broederschap had zowel een religieuze als een materiële dimensie, de leden steunden hun landgenoten in blijde en droevige gebeurtenissen. Uit de nog bestaande rekeningen valt af te leiden hoe de stichting tussenkwam voor overvallen edellieden, mensen die doodziek van de pauselijke galeien stapten, zeelieden die met hun hele familie in de handen van Noord-Afrikaanse piraten waren gevallen en soms tegen aanzienlijke sommen moesten worden vrijgekocht.

Zo werd Pieter De Witte in 1652 door de Turken gevangen genomen en zuchtte tien jaar in slavernij alvorens San Giuliano hem kon vrijkopen. Ene Johanna Maria Adam ondernam de pelgrimstocht naar Rome in haar eentje, verkleed als man. Ze werd bij haar aankomst in Sint-Juliaan liefdevol opgevangen. Verzekerd van de steun van San Giuliano werd Rome vanaf de vijftiende tot de zeventiende eeuw een ware immigratieplaats voor Vlamingen.

Schoenmakers, timmerlui, edelsmeden, glazeniers, kleermakers en soldaten vonden in Rome hun tweede vaderland. We vinden hen dan ook terug in de archieven van Sint-Juliaan. Vanaf 1624 werd een pelgrimsregister nauwkeurig bijgehouden, daaruit blijkt dat tot 1790 aan 21.213 reizigers uit Vlaanderen, Artesië, Namen, Henegouwen, Kamerijk en Doornik onderdak werd verleend.

Hoewel de beheerraad statutair slechts uit Vlamingen uit het graafschap Vlaanderen mocht bestaan, namen geleidelijk ook mensen uit andere delen van de Zuidelijke Nederlanden (Antwerpen, Doornik, Binche...) aan de werking van Sint-Juliaan deel, zij het dat de Brabanders en de Luikenaars elkaar in eerste instantie in de kerk van Santa Maria dell'Anima troffen. Uit alle delen van de Nederlanden ontvingen de bestuurders van het hospitium, de provisoren, geldelijke steun. Maar San Giuliano was meer dan een centrum voor materiële ondersteuning. De kleine kerk fungeerde ook als ontmoetingsplaats waar de Zuid-Nederlanders die in Rome woonden elkaar in vriendschap konden vinden.

Zo lees je dat Frans Duquesnoy (1594-1643) vele malen met landgenoten in het hospitium van de Vlaamse ‘natie’ kwam dineren en plezier maken. Er werd zelfs overwogen om met inkomsten van de stichting een Romeinse academie voor jonge kunstenaars op te richten, maar het voorstel werd afgewezen. Kunstenaars als Jan Miel uit Beveren, in de zeventiende eeuw één van de invoerders van de genretafereeltjes te Rome, of Louis Cousin (Luigi Primo il Gentile) uit Brussel, maakten ooit deel uit van de beheerraad. Cousin schilderde in 1640 het portret van Sint-Winok dat hier nog steeds hangt.

Veruit de belangrijkste mecenas aller tijden was een apotheker uit Ieper, Nicolaas Van Haringhen, die aan het einde van de zeventiende eeuw in Rome werkzaam was en San Giuliano tot zijn universele erfgenaam maakte. In 1695 gaf hij opdracht aan zijn vriend Theodoor Helmbreker uit Haarlem het huidige altaarstuk ‘De bekering van Sint Juliaan’ (1695) te schilderen en met de gelden van zijn nalatenschap werd de kerk verder gedecoreerd.

In 1744 verleende keizerin Maria-Theresia de stichting zijn koninklijke titel. Maar in 1798 werd tijdens de Franse bezetting de stichting tijdelijk opgeheven en de bezittingen verbeurd verklaard. Na de val van Napoleon kwam het kerkgebouw officieel aan het Koninkrijk der Nederlanden en in 1844 aan België onder de naam ‘Saint Julien des Belges’. Deze naam zou de stichting gedurende bijna anderhalve eeuw dragen tot in de twintigste eeuw werd beslist de kerk haar oorspronkelijke naam terug te geven. De officiële titel werd ‘Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen’.

Op 22 mei 1986 bracht paus Johannes-Paulus II een bezoek aan San Giuliano. Ook van dit bezoek is een gedenkplaat terug te vinden in de kerk. Tijdens zijn bezoek zei de Poolse paus: ‘Terwijl ik deze stichting in Rome bezoek, met herinneringen en sporen die zich uitspreiden over bijna negen eeuwen, komt mij de rijke en bewogen geschiedenis van uw land voor de geest. Verwikkeld in de geschiedenis van keizerrijken en monarchieën heeft het zijn eigenheid, zijn zin voor vrijheid en zijn ondernemingsgeest kunnen bewaren, heeft het zijn cultuur en zijn kunsten ontwikkeld en heeft het getuigenis gegeven van zijn godsdienstigheid en geloof, altijd in eenstemmigheid met de opvolger van Petrus’.

De huidige zetel van de Stichting, in de Via del Sudario, werd in 1681-1682 grondig verbouwd en kreeg toen grotendeels zijn huidige aanblik. De kerk kreeg haar octogonale ovaalvorm van het begin van de achttiende eeuw. De gelijkenis met bijvoorbeeld de San Andrea al Quirinale die gebouwd werd tussen 1658 en 1678 en ontworpen door Bernini, kan niemand ontgaan. Voor het nieuwe grondplan en de uitvoering ervan, was Antonio Maria Borioni (Rome ? - 1727) verantwoordelijk, hierin bijgestaan door zijn broer Asdrubale Borioni.

Op de binnenkoer staat een fonteintje waarvan het beeld een putto op een leeuwtje toont. Dat beeld is echter een kopie in kunsthars (juni 2008), het origineel, een werk van de in Carrara geboren Francesco Pincellotti (1672-1749), bevindt zich na een restauratie in het zaaltje achter de kerk.

Na 1996 werd de San Giuliano geleidelijk aan prachtig gerestaureerd. De meeste kunstwerken in de kerk dateren uit de vroege achttiende eeuw. Het centrale medaillon van het gewelf stelt de apotheose van Sint-Juliaan voor. Het fresco werd in 1717 geschilderd door de Engelsman William Kent, later beter bekend als schepper van de Engelse tuin en hofarchitect van de Engelse koning.

Het medaillon is omringd door vier allegorische figuren die het graafschap Vlaanderen, Brugge en het Brugse Vrije, Gent en Ieper voorstellen. De schilden van deze laatste vier omringen ook het medaillon en sieren de voorgevel van de kerk onder het opschrift : ECCLESIA S. GIULIANI HOSPITALIS FLANDRIAE.

In 1743 schilderde de Brusselaar Maximiliaan Dhaese het doek boven één van de zijaltaren, voorstellend de apostelen Petrus en Paulus. Beeldhouwers als Pieter Verschaffelt uit Gent (die in 1748 de opdracht kreeg om het beschadigde beeld van de Aartsengel Michaël op de Engelenburcht te vervangen) of Charles-François van Poucke uit Diksmuide waren nog lid van de stichting omstreeks het midden van de achttiende eeuw.

San Giuliano is ook een titelkerk, toegekend aan kardinaal-diaken Walter Brandmüller. De stichting Sint-Juliaan is een onafhankelijke stichting en is dus ook financieel onafhankelijk en krijgt geen subsidies, noch van burgerlijke, noch van kerkelijke instanties en dit zowel voor België als voor Italië. Inkomsten komen uit haar met de tijd opgebouwde patrimonium, zijnde de woonvertrekken die behoren tot het kerkgebouw in de Via del Sudario en andere eigendommen met tientallen appartementen elders in de stad.

Het doel van de stichting blijft zoals in de oude statuten: beschikbaar zijn voor bedevaarders - landgenoten die in Rome verblijven of de Eeuwige Stad bezoeken. Sint-Juliaan biedt ook gastvrijheid aan de Fondation Darchis (1699) en de Rector van Sint-Juliaan is afgevaardigd-beheerder van de Waalse Fondation Lambert Darchis.

Op 11 november worden in San Giuliano de doden van beide Wereldoorlogen herdacht en op 15 november wordt het feest van de Koning gevierd. Op het Consistorie van 26 november 1994 werd Jan Schotte, Scheutist, tot eerste kardinaal-diaken van Sint-Juliaan benoemd. Kardinaal Schotte overleed op 10 januari 2005 en werd na een kort verblijf op de begraafplaats Campo Verano op 10 januari 2008 in Sint-Juliaan herbegraven. 

Begin juli 2008 werden in het koor van de kerk twee glasramen aangebracht (foto's boven) in de deur van de sacristie. Beide kunstwerken zijn van de Vlaamse glazenier Maurits Nevens en hebben als titels: ‘De Uitnodiging’ (links) en ‘Pelgrimstocht van de Vlamingen naar Rome’ (rechts).

 

Momenteel worden de drie schilderijen van de kerk: ‘Madonna met Kind’ van het atelier van Giovanni Battista (G.B.) Salvi da Sassoferrato (1609-1685), ‘Sint Juliaan’ van Theodor Helmbreker (1633 of 1624-1696) en ‘Petrus en Paulus’ van Massimiliano Dhaese (1743) gerestaureerd door maestro Alberto Bertuzzi.

P. Hugo Vanermen, mSC., Rector


Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen
Via del Sudario 40, I-00186 Roma
Tel.: 00-39-6-687.25.50 - Fax: 00-39-6-687.38.54 

Steun op naam van H. Vanermen met vermelding “Sint-Juliaan” : 230-0019671-97 GB-Heverlee.
Bibliografie: 1000 jaar San Giuliano dei Fiamminghi, Stichting Kunstboek, Brugge, 1996.