Wie is Wie

Activiteiten

Artikel over de begingeschiedenis van onze Stichting door Prof. Dr. Fabio Barry, Professor Kunstgeschiedenis aan de Stanford University in de Verenigde Staten van Amerika.
In het tijdschrift “Studi sul Settecento Romano”, Ed. Boncompagni, 1998, Roma, pp.127-167, verscheen van de hand van Prof. Dr. Fabio Barry het artikel L’insediamento dei Fiamminghi a Roma : le trasformazioni dell’isolato di San Giuliano tra XVII e XVIII secolo. ... verder lezen »
 

Artikel over “Het Broederschapsboek van S. Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444” van Dr. Michiel Verweij, onderzoeker bij het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel.
In het tijdschrift “In Monteartium”, Nr. 5, 2012, uitgegeven door de Koninklijke Bibliotheek van Belgie, Brussel, pp. 169-215 verscheen van de hand van Dr. Michiel Verweij een merkwaardig artikel dat wij graag delen met de lezers van onze website : Het Broederschapsboek van S. Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444.  ... verder lezen »
 

Nieuw artikel over de geschiedenis van onze Stichting door Drs. M. C. W. Schillings van het “Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis” – Amsterdam (NL).
In het Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis van de Koninklijke Academie voor Oudheidkunde van België, LXXXVIII – 2019, pp. 203 - 214, verscheen van de hand van Drs. M. Schillings een lezenswaardig artikel over een stukje geschiedenis van onze Stichting uit het begin van de 19de eeuw : A colorful Circle around San Giuliano dei Fiamminghi in Rome at the Start of the Nineteenth Century. Met dank aan de auteur.  ... verder lezen »

Bezoek van de Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed, Geert BOURGEOIS, op 24 februari 2019.
Vlaanderen heeft op 25 februari een vertegenwoordiging in de Italiaanse hoofdstad geopend. Het gaat om de dertiende Vlaamse diplomatieke post in het buitenland. “Belangrijk,” vindt Minister-president Geert Bourgeois, “want Vlamingen zijn in veel dingen goed, maar ze zijn niet altijd bezig met het tonen dat ze goed zijn.”  ... verder lezen »

Afscheid van de Heer Tommaso Diana na 25 jaar dienst.
Caro Signor Diana e famiglia, Signor Ambasciatore presso la Santa Sede, Cari membri del Consiglio dei Provvisori della Chiesa e Fondazione Reale Belga San Giuliano dei Fiamminghi e della Fondazione Lambert Darchis, Cari collaboratori delle nostre Fondazioni, Oggi una persona ci raduna, una persona con cui abbiamo avuto tutti, in un modo o nell’altro, a che fare.  ... verder lezen »

Restauratie "Madonna con Bambino"
Il dipinto è collocato sopra l’altare laterale di sinistra, all’interno di una cornice in stucco dipinto che fa parte di una scenografia barocca. Il suo stato di conservazione, resosi ormai precario, ha richiesto un intervento di restauro iniziato circa due mesi  ... verder lezen »

Peter Rossel : Eeuwenoud en toch springlevend
De volledige inventaris van de eeuwenoude Stichting Sint-Juliaan der Vlamingen te Rome, van bij de eerste bestaande documenten (begin 15de eeuw) tot net na de Tweede Wereldoorlog, nodigt uit om de docu- menten in hun geheel te bestuderen.  ... verder lezen »

Boek Inventaris Archief
Op zondag 22 mei 2016 werd in het “Hof Bladelin” te Brugge, in samenwerking met de KU Leuven, het boek “Inventario. Chiesa e Fondazione Reale Belga “San Giuliano dei Fiamminghi” a Roma - Archivio Storico” onder grote belangstelling voorgesteld De realisatie van dit belangrijk werk werd geleid door Prof. Dr. Johan Ickx  ... verder lezen »

Vlamingen en Rome – P. Hugo Vanermen
In zijn derde thematische wandeling door Rome gaat auteur en Romekenner Patrick Lateur op ontdekkingstocht door deze stad met vier bekende Vlaamse katholieken.  ... verder lezen »

De Vlaamse Culturele Kring
Is opgericht in 1908 onder de naam “Vlaamsche Studiekring Gelukzalige Jan Van Ruysbroeck”... verder lezen »

P. Hugo Vanermen ontving de “Médaille de Saint-Lambert” van het Bisdom Luik.
Deze diocesane onderscheiding werd ingesteld door Mgr. Kerkhofs op 25 april 1939. Het gaat om een ereteken dat toegekend wordt aan gelovige leken (of sinds 15 april 1944 aan leraars die 35 jaar dienst hebben) en uitzonderlijk aan priesters. Er zijn twee medailles die toegekend worden voor bewezen diensten aan de Kerk, de ene van zilver voor 25 jaar, de andere van goud voor 35 jaar dienst...
verder lezen »

Professor Rik Torfs, Rector Ku Leuven, bezoekt Sint-Juliaan-der-Vlamingen
Op 8 maart 2014 schreef de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting “Sint-Juliaan-der-Vlamingen” weer een bladzijde geschiedenis in haar 1000-jarig bestaan. Zij ontving het bezoek van Professor Rik Torfs, Rector van de KU Leuven, de Vice-Rectoren, de rectoraal adviseur externe contacten, kaderleden van het bestuur van de universiteit en Dr. Johan Ickx, archivaris op het Staatssecretariaat (Vaticaan) met zijn echtgenote... verder lezen »

Sponsoring nieuw positieforgel 
In de voorbije maanden werd beslist een groter positieforgel aan te kopen voor Sint-Juliaan-der-Vlamingen ter vervanging van het kleine Schumacher-orgel (Eupen) uit 1972. Daarvoor werd contact opgenomen met de bekende Italiaanse orgelbouwer Angelo Carbonetti te Foligno ... verder lezen »

Informatie - Lectuur
“Fiamminghi in Rome - Vlaamse voetsporen in de Eeuwige Stad”... verder lezen »

Beheerraad
De Provisorenraad (Beheerraad) van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen is samengesteld uit volgende leden... verder lezen »

Nieuwe Glasramen
Op 14 juli 2008 werden in de Koninklijke Belgische Kerk “Sint-Juliaan-der-Vlamingen” te Rome, twee nieuwe glasramen geplaatst van de hand van kunstglazenier Maurits Nevens uit Lot. ... verder lezen »

Restauratie "Putto op Leeuwtje"
Het beeldje werd in de loop van de maand juli 2008 gerestaureerd na een belangrijke beschadiging ten gevolge van weersomstandigheden... verder lezen »

Beeld van de heilige Pater Damiaan De Veuster in Sint-Juliaan-der-Vlamingen
Op woensdag 20 juni om 16u15 kon de Rector, P. Hugo Vanermen, mSC het beeld van de Heilige Pater Damiaan De Veuster, KAMIANO, van de beeldhouwer Philippe Verschueren, in ontvangst nemen.... verder lezen »

Pater Hugo Vanermen, mSC. – Officier in de Orde van Leopold II Rome
Pater Hugo Vanermen, Missionaris van het Heilig Hart, Rector van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting “Sint-Juliaan-der-Vlamingen” en afgevaardigd-beheerder van de Fondation Lambert Darchis Rome/Liège. verder lezen »

Artikel over “Het Broederschapsboek van S. Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444” van Dr. Michiel Verweij, onderzoeker bij het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel.

In het tijdschrift “In Monteartium”, Nr. 5, 2012, uitgegeven door de Koninklijke Bibliotheek van Belgie, Brussel, pp. 169-215 verscheen van de hand van Dr. Michiel Verweij een merkwaardig artikel dat wij graag delen met de lezers van onze website : Het Broederschapsboek van S. Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444.

Download de PDF-versie van het artikel

 

 

Het Broederschapsboek van S. Giuliano dei Fiamminghi en de Statuten uit 1444.*

Michiel Verweij
(Handschriftenkabinet, Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel)

Een waarschuwing vooraf

Politiek heeft de neiging de geschiedenis ten eigen bate te interpreteren en te gebruiken, zo niet te misbruiken. Het is dit onzalig manipuleren van historische feiten dat dan op zich weer allerlei politieke feiten ondersteunt. Elke historicus weet dat, menig historicus schijnt dat ook af en toe te vergeten.

   Het hier volgende artikel kan aanleiding geven tot dit soort misbruik, alleen al door de actuele communautaire problemen en door de verschillende betekenissen die aan bepaalde namen en begrippen worden gegeven. Ik wens er dan ook met klem op te wijzen dat niets uit dit artikel voor enig politiek doel (van welke aard ook) mag worden gebruikt.

   Bovendien wens ik de lezer er met evenveel nadruk aan te herinneren dat de hier gebruikte geografische namen betrekking hebben op de middeleeuwse vorstendommen en niet op huidige politieke eenheden die dezelfde naam dragen. Luik is het prinsbisdom, niet de provincie; Brabant is het gehele hertogdom, niet de omgeving van Brussel; en bovenal: Vlaanderen is het graafschap, niet het huidige Vlaamse gewest. Dit middeleeuwse graafschap omvat de Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen, het Nederlandse Zeeuwsch-Vlaanderen en het Franse Flandre van Rijsel tot Sint-Winoksbergen, Duinkerke en Grevelingen. De taalkwesties die in het onderstaande aan bod komen, dienen enkel in het licht van de Romeinse toestanden te worden geïnterpreteerd, nooit vanuit de huidige Belgische situatie.

 

 

Inleiding

 

In het archief van S. Giuliano dei Fiamminghi wordt als een van de kostbaarste stukken een codex bewaard die begint met de Statuten van het hospitaal om dan te vervolgen als inschrijvingsregister van leden van de broederschap en uiteindelijk te eindigen als Gulden Boek. In de laatste functie wordt het nog steeds gebruikt, zodat handtekeningen van koninklijke of pauselijke bezoekers het register in zijn huidige vorm afsluiten. Deze codex, waarvan hieronder een volledige beschrijving wordt gegeven, is onder meer van belang door de tekst waarmee het handschrift opent, te weten de statuten van het hospitaal van Sint-Juliaan-der-Vlamingen uit 1444.[1] Nochtans dateert het handschrift zelf duidelijk van later: in wezen gaat het om een kopie uit 1574. Desondanks is de tekst van deze statuten uit 1444 een van de oudste positieve documenten over de geschiedenis van S. Giuliano dei Fiamminghi en zelfs onze belangrijkste bron (samen met enkele losse akten en een paar grafstenen[2]) voor de eerste grijpbare fase van de geschiedenis van deze stichting.

   Een eerste overlevering laat de oorsprong van deze stichting opklimmen tot de achtste eeuw, een tweede overlevering vermeldt het weldoend bezoek van graaf Robrecht II van Vlaanderen in 1096, op weg naar Jeruzalem tijdens de eerste Kruistocht, anderen noemen de 13de eeuw als mogelijke tijd van ontstaan van deze stichting. Het eerste echte houvast wordt echter juist door de statuten uit 1444 gevormd, samen met de net genoemde akten en graven uit dezelfde periode. Daarmee bevinden we ons in de fase onmiddellijk na de Babylonische Ballingschap en het Groot Westers Schisma, in een periode van actieve renovatie en wederopbouw van Rome. Of er aan de ons bekende reglementen andere zijn voorafgegaan, is onbekend: indien de stichting inderdaad ouder is, mag men geredelijk aannemen dat de woelige periode van Ballingschap en Schisma documentaire sporen heeft uitgewist.

   Vooraf dient echter nadrukkelijk te worden opgemerkt dat de statuten uit 1444 niet die van de broederschap zijn, maar van het hospitaal. Uit de bewoording blijkt ook dat de broederschap als zodanig deze statuten voorafgaat. De tekst beschrijft zowel de leiding van het hospitaal met zijn twee Meesters, als de regeling ten aanzien van de pelgrims en anderen die onderdak komen vragen. Daarmee beweegt de tekst zich dus zowel op het institutionele als op het praktisch-organisatorische vlak.

   Wat werkelijk uniek is aan deze statuten is niet zozeer de inhoud, als wel de taal: de statuten van het hospitaal zijn namelijk gesteld in het Nederlands. In Rome is zoiets op zijn minst opmerkelijk: in de 15de eeuw zou men Latijn verwachten, terwijl vanaf de 16de eeuw steeds meer stukken in het Italiaans zijn opgesteld, ook bij de buitenlandse broederschappen: sporen daarvan zijn ook in dit Broederschapsboek te zien. De reden voor de keuze van het Nederlands was echter zeer bewust en in feite politiek van inspiratie, zoals verderop nog zal worden uiteengezet.

   In deze bijdrage beoog ik een wetenschappelijk verantwoorde editie van deze tekst te bezorgen, samen met een grondige beschrijving van het handschrift zelf. De aard ervan maakt het uiteindelijk tot een van de belangrijkste Belgische of Vlaamse handschriften die in het buitenland door een Belgische instelling worden bewaard. Bij deze beschrijving wordt uitgegaan van de visie op het handschrift als een uniek en concreet historisch object dat het resultaat is van een productiecampagne. Daarmee worden eerder statische beschrijvingselementen steeds geïnterpreteerd in het licht van hun betekenis als sporen van de geschiedenis van het handschrift. Bij de meeste handschriften valt deze geschiedenis uiteen in twee duidelijk onderscheidbare fasen, de productie en de 'consumptie' (= de geschiedenis na voltooiing). In het geval van handschriften zoals het onderhavige register (en andere soortgelijke registers) valt de fase van de productie echter grotendeels samen met de latere geschiedenis. Ondanks het feit dat de materiële verschijningsvorm van een bron zelf  veel informatie over de geschiedenis ervan (en zo ook van het onderwerp) bevat, wordt deze nog altijd te weinig betrokken bij de interpretatie van die bron.

 

 I Het handschrift: codicologische beschrijving

 

Het Broederschapsboek is een papieren codex van 33,1 bij 22,7 cm, die i + 183 + i folia telt. De band waarin dit boekblok zich bevindt, is van karton, met perkament aan de binnenkant en bruin leer aan de buitenkant, het laatste versierd met geometrische en florale motieven die zijn ingeperst. Het achterplat bezit tevens een soort flap die het mogelijk maakt om de snede te beschermen en die aan de voorkant door twee groen-gele koorden hierop kan worden vastgemaakt. Het stuk aan de voorkant meet 9,5 cm en loopt uit in een accolade. De twee gaten voor het koord zijn met metaal versterkt. Op de rug bevinden zich drie leren ondersteuningsbanden, 3 cm hoog, 10 cm uitstekend op voor- en achterplat. Aan de voorkant zijn deze banden met groen garen bevestigd, op de achterkant met smalle reepjes perkament. Dit laatste is de oorspronkelijke toestand en wordt ook aangetroffen op andere banden uit het archief van S. Giuliano, met name uit de 17de en 18de eeuw. Aan de binnenkant van het voorplat bevindt zich een inscriptie 'Liber Confraternitatis Sti Juliani ab anno 1574', in een schrifttype dat in ieder geval 18de-eeuws, zo niet nog laat 17de-eeuws is. Dit alles doet vermoeden dat de band inderdaad waarschijnlijk uit de 17de eeuw of (eventueel) het begin van de 18de eeuw stamt. Een datum van vóór 1714 lijkt ook waarschijnlijk omdat er op het eerste perkamenten schutblad een aantekening staat die in dat jaar gedateerd is: het betreft hier een aantekening ter memorie van Ignatius van Tortelboom uit Brugge, canonicus Petenensis in Istria imperiali cathedralis ecclesiae, rector en provisor van S. Giuliano. In een latere fase zijn er dan verschillende ingrepen geweest, zoals het groen-gele garen dat aan de voorkant die genoemde banden bevestigt met hetzelfde groen dat ook terugkomt in de verstevigingsbanden op het voorplat, of ook de metalen ringetjes die de koorden op de flap doorlaten. Dit alles betekent dus ook dat de huidige band niet de originele is. Het vervangen van een boekband is overigens een zeer normale zaak. De (tweede) restauratie zou begin 20ste eeuw kunnen zijn uitgevoerd. Eveneens uit de 20ste eeuw dateren de acht gekleurde stoffen bladwijzers met kruis (43,5 cm lang) die op een kop aan het handschrift zijn toegevoegd.

   Afgezien van de schutbladen in perkament (boven met Romeinse cijfers aangeduid) en één toegevoegd blad (f. 25), stamt het hele boekblok uit één en dezelfde periode. Het watermerk is doorheen het gehele handschrift hetzelfde en vertoont een zespuntige ster, gezet in een ruit met gekromde lijnen die geplaatst is in een cirkel. Dit type (Briquet 6097) is betuigd in Rome in 1567 en in een kleinere variant in 1571, wat perfect overeenkomt met de datum van de vernieuwing van de broederschap en het aanleggen van dit register. Het papier is over het algemeen in goede staat, maar vertoont wel over het gehele handschrift verspreid enkele bruine vlekjes van de ouderdom. Alleen in het begin, op f. 5-13, in het gedeelte van de inschrijvingen van de oude broederschap, heeft op enkele plaatsen inktvraat het papier aangetast.

   Het handschrift vertoont verschillende foliëringen. Ten eerste een 17de-eeuwse telling, lopende van 1 tot 10, die niet zozeer de folia telt, als wel de openingen, waarbij dus hetzelfde nummer op de versozijde links en de rectozijde rechts wordt gegeven; verder zijn er resten van een 19de-eeuwse telling in de rechterbovenhoek van de rectozijde die op twee plaatsen (waarvan één foutief) het folionummer heeft toegevoegd, nl. op f. 13r en f. 159r: in het laatste geval staat er ten onrechte '139'; tot slot is er in de 20ste eeuw over het gehele handschrift met een stempeltje een telling van de folia aangebracht in de rechterbenedenhoek van de rectozijde. Bij de laatste telling is echter een fout ingeslopen en is tussen de 19 en de 21 de 20 per ongeluk weggebleven. Vandaar ook dat de telling tot 184 gaat, terwijl er slechts 183 folia zijn. Dit vaststellen is van belang voor de samenstelling van de katernen, die over het algemeen een grote regelmaat vertonen. Katern i telt 14 folia, katern ii echter 15 (namelijk 14 + 1), de katernen iii tot en met xi steeds 16 folia en katern xii slechts 10. Op basis van de foliëring is niet meteen te vermoeden dat in het tweede katern inderdaad een los blad is toegevoegd (f. 25): in de inhoudsbeschrijving zal blijken dat dit blad iets bijzonders is. De geschiedenis van de foliëring onthult tegelijk iets van de geschiedenis van het handschrift. Heeft men zich in het begin van de geschiedenis niet meteen bekommerd om een telling in zo'n omvangrijk volume waar nog maar weinig in stond, in de 17de eeuw heeft men de bestaande inhoud toch toegankelijker willen maken. Bovendien komt dit overeen met de telling van de artikelen van de statuten die in dezelfde periode is toegevoegd. In feite heeft dit alles te maken met een stuk tekst dat verderop in het handschrift staat (f. 159-161) en waarop nog zal worden teruggekomen. In de 19de eeuw zijn er enkele schaarse blijken van interesse die o.m. ertoe hebben geleid dat f. 13 geteld werd, het laatste folio met inschrijvingen uit de oude broederschap, evenals f. 159 vanwege de zich daar bevindende tekst. In de 20ste eeuw wordt het handschrift opnieuw in gebruik genomen en bij die gelegenheid volledig gefolieerd. Alle folionummers die hieronder worden gebruikt zijn die van de laatste telling, zoals gebruikelijk.

   Een groot gedeelte van het handschrift is (nog steeds) blanco. Voor het overige laat er zich een onderscheid maken tussen het oude gedeelte (van vóór de Franse Revolutie) met daarbijgevoegd twee 19de-eeuwse aantekeningen en het moderne en nog steeds lopende gedeelte. Na een eerste blanco blad (f. 1) volgt dan op ff. 2r-13v het oude broederschapsboek. F. 14 is opnieuw blanco en vormt de overgang naar het moderne gedeelte, het nieuwe broederschapsboek en Gouden Boek (ff. 15r-65r). Ff. 66-158 zijn opnieuw blanco, op f. 159r-161v volgt dan een Italiaanse vertaling van de statuten uit 1444, een gedeelte dat tot het oude boek te rekenen is, terwijl het overige gedeelte (ff. 162-184) opnieuw blanco is.

 

 

Het oude broederschapsboek (ff. 1r-13v en ff. 159r-161v)

 

Zoals bij dit soort boeken gebruikelijk is, bestaat ook het oorspronkelijke Broederschapsboek van S. Giuliano uit een stuk dat bij het begin in dit handschrift is gezet en er dus altijd deel van heeft uitgemaakt, en het register dat langzamerhand in de loop der jaren steeds is aangevuld: dit soort handschriften is bij uitstek work in progress. Zoals reeds werd gezegd, is f. 1 blanco gelaten, vermoedelijk om het als schutblad te laten dienen. Op f. 2r opent het boek dan met een preambule, gedateerd in 1574, welke gevolgd wordt door de inschrijving door Jan van Witthem, heer van Beersel en Boutersem. Uit de context blijkt dat ook deze inschrijving uit 1574 stamt. Op ff. 2v-4v bevindt zich dan de tekst van de statuten uit 1444, op zich ook weer voorzien van een eigen inleiding uit 1574 en geschreven in dezelfde hand als de preambule op f. 2r. Op ff. 5r-13r bevinden zich de inschrijvingen in de broederschap tot de Franse revolutie, welke worden afgesloten met twee inschrijvingen uit de 19de eeuw (f. 13r-v). Tot het oude gedeelte behoort eveneens de reeds vermelde Italiaanse vertaling op ff. 159r-161v. Het oorspronkelijke tekstgedeelte omvat dus de preambule (f. 2r)[3], de tekst van de statuten (ff. 2v-4v)[4] en de eerste pagina van de inschrijvingen (f. 5r): ook het begin van dit laatste blad is nog altijd in dezelfde hand als de preambule en de tekst van de statuten. Het overige, dus ook de Italiaanse vertaling, is een latere toevoeging. Dit oorspronkelijke tekstcorpus bestaat op zich weer uit twee lagen, nl. gedeelten die uit 1574 stammen (preambule, inleiding op de kopie van de statuten en inschrijving) en de kopie van de oude statuten uit 1444.

   De expliciete vaststelling van deze situatie heeft als voornaamste consequentie dat het belang van het jaartal 1574 in de geschiedenis van S. Giuliano extra wordt onderstreept. Wordt traditioneel de nadruk gelegd op 1444, 1574 blijkt een ander cruciaal jaar te zijn, waarin men nogmaals tracht de broederschap te hernieuwen, misschien ook te hervormen. Daartoe opent men een nieuw register, en wel met een expliciete verwijzing naar Karel V die zich in 1536 in de broederschap liet inschrijven, en kopieert men de tekst van de statuten van het hospitaal. Bovendien opent men, in overeenstemming met wat in de preambule werd uiteengezet, het inschrijvingsregister meteen met enkele 'grote namen', meer bepaald enkele edelen. Indien men hiermee de zaken groots heeft aangepakt, zal het vervolg echter weer beperkter blijken: de op f. 5r genoemde edelen blijken namelijk zowat de enige edelen te zijn die in het hele register voorkomen.

   Suggestief blijft waarom men nu met een nieuw register begint en niet met een (eventuele) voorganger voortgaat: het is zeker niet uit te sluiten dat er voordien geen echt systematisch register was, zodat dit paste in een werkelijke sfeer van vernieuwing, waarbij alles ab ovo moest beginnen. Het is ook suggestief dat de tekst van de statuten die van het hospitaal is, en niet van de broederschap zelf. Een verklaring dat deze misschien niet echt bestonden of eventueel verloren zijn gegaan, blijft onbevredigend: in de statuten van het hospitaal komen toespelingen voor op de organisatie van de broederschap, wat impliceert dat er toch een soort reglement moet hebben bestaan. Als men zich al niet in het kader van de vernieuwing wilde tooien met het belangrijkste = oudste dat men had, kan de verklaring ook heel eenvoudig liggen in het doel van dit register, zoals dat al in de hieronder aangehaalde passage van f. 5r tot uitdrukking komt, nl. naamlijst zijn van wie geld schonk aan het hospitaal. Broederschap en hospitaal waren blijkbaar ook ideëel zeer nauw verbonden: de broederschap bestond in functie van het hospitaal en wie zich inschreef (en dus een schenking deed), moest kunnen weten aan wat voor een instelling hij zijn geld gaf..

   1574 valt in het begin van het pontificaat van Gregorius XIII (1572-1585), die ook de broederschap van het Campo Santo tot een aartsbroederschap verhief. Bovendien valt ook in de broederschap van S. Maria dell'Anima in dezelfde tijd een belangrijke hervorming en vernieuwing waar te nemen. Het heeft er alle schijn van dat S. Giuliano eenzelfde heropleving kende of althans dat zo'n heropleving beoogd werd. Bovendien stond in dat jaar het Heilig Jaar 1575 voor de deur en de periodiek terugkerende jubeljaren leiden in Rome tot een even periodiek toegenomen activiteit op velerlei vlak: het is niet uitgesloten dat het samenvallen van een algemene vernieuwing van broederschappen en het komend Heilig Jaar tot de vernieuwing (?) van het register hebben geleid, ook al is er nergens in het boek de minste allusie op een Heilig Jaar te vinden.[5] Van de andere kant treft men in afwijking van wat men in het broederschapsboek van bijv. S. Maria dell'Anima vindt, in het register geen enkele inschrijving uit het Jubeljaar 1575 en slechts één uit 1600 aan: dit kan er op wijzen dat het Jubeljaar eventueel toch minder een rol in de overwegingen speelde, ofwel dat men geen 'hoge gasten' heeft kunnen ontvangen die zich bij die gelegenheid wilden inschrijven. De Anima is er, met name in 1600, wel in geslaagd om een reeks personen van aanzien in het broederschapsboek te laten tekenen. In de (Zuidelijke) Nederlanden waren de jaren 1570, zoals bekend, tamelijk onrustig, wat eventueel het ontbreken van deze personen van aanzien mede kan verklaren.

   In ieder geval bestond er nog een oud boek met inschrijvingen en/of donaties op dat moment - ook al is het niet zeker dat we dat echt als een broederschapsboek mogen beschouwen - , want in de preambule wordt er expliciet naar verwezen door de scriba. De naam van Karel V zou te vinden zijn op blad '188 ende 275' van dat 'ander bouck' van de broederschap. Voor een broederschapsboek in de gebruikelijke betekenis lijkt dat - met het oog op de relatieve korte tijd van bestaan en in vergelijking met de acht (8!) folia met inschrijvingen van na 1574 - wel erg hoog: was dit 'ander bouck tzelve hospitael is toe behooren<de>' dan wel een echt broederschapsboek? Er zijn geen directe bewijzen voor of tegen, maar a priori is het niet uit te sluiten dat men pas op dit moment, in lijn met de gebeurtenissen in andere, verwante, stichtingen, besloot om een echt broederschapsboek in de zin van een register zoals het onderhavige te openen en de aanwijzingen lijken ook in die richting te gaan. De inschrijving of vermelding van Karel V stond dan in een ander soort boek: uiteindelijk is het op het eerste zicht ook merkwaardig dat hiervoor naar twee pagina's wordt verwezen en niet naar één enkele. Bovendien, als men er zo'n waarde aan hecht de herinnering aan Karel V te bewaren, waarom heeft men dan juist dat oudere register niet verder gezet? Op het moment is het echter niet mogelijk verder te gaan dan het stellen van deze vraag. In principe zou de hernieuwing van de broederschap ook kunnen inhouden dat men zich 'administratief in orde bracht' en dat men nu vormen introduceerde zoals andere stichtingen die op dat moment ook kenden, waarbij dan wel, in tegenstelling tot wat men bijvoorbeeld bij het Dodenboek van S. Maria dell'Anima heeft gedaan, geen oudere namen opnieuw heeft genoteerd. Blijft in ieder geval staan dat 1574 in de geschiedenis van S. Giuliano een belangrijkere plaats inneemt dan men tot nu toe heeft voorgesteld.

 

De preambule en de eerste inschrijvingen (1574)

 

De doelstellingen van het register worden helder geformuleerd in de preambule, waarin expliciet op schenkingen gealludeerd wordt (f. 2r):

 

            +

            Loff god 1574 den 20 january in Rome

 

            Om te vernieuuen de zalighe ghedachten der keyserlicke maiesteyt
            Carolo Quinto imperator hoe zynder maiesteyt hem werdichde inder
            broederschap van .S. Juliaen vanden hospitael vander natien van vlaen<deren>
            ghescreven te zyne, want het tzelue gheschiet is int Jaer ons heeren
            1536 vpden XVIIIen dach van April ghelyckt blyckende is, in eenen
            anderen bouck int blaet 188 / ende 275. tzelve hospitael is toe behooren<de>
            het welcke eenen langhen tyt gheleden is / dus de zelue broederschap
            vriendelick biddende / aen alle edel heeren ende onedel vander zeluer
            natie ofte heerlicheden ende goeden hebben int graefschap van
            vlaen<deren> Ende dierghelycken / aen ander natien in Nederlant / dat
            alsulcken / huerlieder willen vernederen int selue broederschap
            ghescreuen te zyne ghelyck als Carolo quinto imperator / ende
            zullen schuldich zyn god almachtich voir huerlieder te bidden / Ende
            ist dat zaeke dat alzulcke duer huerlieder groote generositeyt
            ende beleftheyt het tzelue hospital eenighe duecht commen te doenne
            om de aerme pellegrinen vander voorseyde Natien te helpe<n>
            zo veel te meer zullen zy deelachtich zyn vander ghebeden ende
            charitaten die daghelycx int voirseyde ospitael zal
[6] ghedaen zyn.[7]

 

De gedachte die hier speelt, is wezenlijk die van een register waarin bezoekers zich kunnen inschrijven na het doen van een donatie, waarbij als tegenprestatie voor het zieleheil der ingeschrevenen gebeden zal worden. In het vergelijkbare Broederschapsboek van S. Maria dell'Anima vindt men niet zo'n financieel gekleurde tekst. Wel treft men er globaal twee soorten inschrijvingen, nl. leden van de Duits-Nederlands-Belgisch-Oostenrijkse kolonie in Rome naast (hoge) bezoekers die kortstondig in Rome hebben verbleven. Wellicht is dit ook het geval met de inschrijvingen in het Broederschapsboek van S. Giuliano die onder aan bod komen, al is dat op het moment nog niet met zekerheid te zeggen. Voor de eerste inschrijvingen lijkt de categorie der tijdelijke bezoekers wel de belangrijkste, maar ook later zijn er zeker bezoekers bij. Een merkwaardig voorbeeld is zo de inschrijving van Giovanni Lheureux (Macarius) in 1598 (f. 6v) die gedurende twintig jaar Grieks doceerde in Rome en in 1601 weer in het Noorden was: het ziet er naar uit dat hij zich pas relatief kort vóór zijn vertrek uit Rome liet inschrijven. Hoe dan ook, uit deze preambule en inleidende teksten uit 1574 blijkt wel dat het register eerst en vooral werd aangelegd om donateurs voor het hospitaal te noteren en te gedenken.

   Die eerste ingeschrevenen zijn dan enkele leden van (lagere) adel.[8] Hun inschrijving is te vinden op f. 5r, waarbij de aanhef luidt:

 

            hier naervolghende zal ghescreuen staen het ghelt datter ont-
            fanghen is van diuersche Edel heeren ende onedel de welcke
            huerlieder belieft hebben Inde broederschap van S. Juliaen der
            natien van vlaenderen Inne ghescreuen te zyne. Om den die<n>st
            gods ende die aerme pillegrinen te onderhouwen int hospitael van
            Sinte Juliaen der natien voirseyt. Alder eerst ontfanghen
            vanden alder Edelsten heere Jan van Witthem heere
            van berselle ende vryheere van botersem vier cronen in gouwe
            maecken in munte                                           V - 4 - 60
.

 

Deze vermeldingen zijn echter, in tegenstelling tot alle andere inschrijvingen verderop in het register,  niet autograaf. Bovendien doet er zich een wat merkwaardige doublure voor. Hoewel de officiële inschrijving inderdaad pas op f. 5r staat (met bedragen van hun donaties), wordt al op f. 2r deze inschrijving vermeld. Daar bevindt zich eveneens één enkele autografe inschrijving, in dit geval enkel de naam: Giouani de Withem. Deze Jan van Witthem achtte het aan zijn stand verplicht het voorbeeld van Karel V na te volgen en zette dan ook zijn naam zo dicht mogelijk bij die van zijn voorganger. Ook in de vermelding van inschrijving op f. 2r speelt hij een veel grotere rol dan de overige vier die in feite slechts op het einde in wat kleinere letters worden toegevoegd. Zij tekenden ook niet autograaf. Er is wel eens gesuggereerd dat Jan van Witthem de kopiist van de statuten zou zijn,[9] maar dat is van alle grond verstoken: het schrift is wezenlijk anders en bovendien geeft deze persoon nergens aan dat hij als kopiist optreedt. Integendeel, uit onderstaande tekst blijkt duidelijk de ware reden van de aanwezigheid van Van Witthems naam op deze plaats (f. 2r):

 

            Ick Jan van Witthem heer van Berselle etc.
            ende vrijeheer van Bothersem ghesyen
            hebbende dat der Keyserlicke M<ajesteyt> carolo quinto
            inde broederschapt van S. Julian der natie van
            vlaenderen inde selue broederschapt ghe-
            schreuen is so begheer ick dyesydelicke inde
            selue broederschap gheschreue<n> the syne ende
            duer dat consent soe maecke ick mi broeder
            van het selue hospital desen dach den [...]sten
            February 1574 in                    Roma.

 

Jan van Witthem († 1588), heer van Beersel en Boutersem, was een achterkleinzoon van Filips van Wittem († 1523), bekend als verdediger van het kasteel van Beersel tegen de Brusselaars, zelf zoon van  Hendrik III van Witthem († 1515), ridder van het Gulden Vlies en kamerheer van Maximiliaan van Oostenrijk en Filips de Schone.[10] De Van Wittems vormen in feite een bastaardtak van de hertogelijke familie van Brabant. Gezien de familiegeschiedenis kan men zich voorstellen waarom Jan zich zo nadrukkelijk in de buurt van Karel V wilde plaatsen. Overigens vormt Jan van Witthem nog op een andere manier een uitzondering in dit gezelschap: hij is namelijk de enige Brabander.

   De overige vijf namen van deze eerste inschrijving op f. 5r zijn: Jean le Maistre, heer van Mont d'Artois,[11] Antoon van der Gracht, heer van Scardau (of Schardauw) en Fretin,[12] , Guilbert de la Barre, heer van Fresnoy,[13] Georgius Carpentier uit Menen[14] en Philippe van Seclyn (of: de Seclin?), heer van Zieleghem.[15] Alleen de voorlaatste lijkt niet van adel te zijn. Enkel Guilbert de la Barre en Jean le Maistre worden ook vermeld op f. 2r, in de 'memorie' van de inschrijving volgend op de verklaring van Jan van Witthem. Daar worden verder nog genoemd: François d'Ongnies, heer van Coupigny,[16] en Jacques de Marchenelles, heer van Buseval[17].

 

De statuten van 1444

 

Het belangrijkste gedeelte van het oorspronkelijk tekstbestand wordt gevormd door de tekst van de statuten van het hospitaal van Sint-Juliaan uit 1444, die hier onder, s. II, worden uitgegeven. Voor ons vormt dat een unieke gelegenheid om de werking van deze stichting te zien.

   Het eerste wat opvalt aan de tekst van de statuten is het feit dat ze in het Nederlands zijn opgesteld. In Rome is dat zonder meer verrassend, zelfs binnen een broederschap van buitenlandse origine. De meeste reglementen zijn gesteld in de oude taal van Rome, het Latijn, de taal van de Kerk en de hogere ontwikkeling, of in de volkstaal, het Italiaans. Het (oud) archief van het Campo Santo Teutonico is zo overwegend in het Italiaans, dat van de S. Maria dell'Anima in het Latijn. Hierbij spelen twee factoren mee, die in elkaar grijpen. Ten eerste drukt de keuze voor een bepaalde taal ook (impliciet) een standsverschil uit. In de S. Maria dell'Anima kwam blijkbaar meer de elite samen, terwijl in het Campo Santo meer ambachtslieden lid waren. Als men dezelfde logica op S. Giuliano toepast, wordt ook daar de indruk bevestigd door de op het reglement volgende ledenlijst (cf. infra). Een tweede overweging heeft een even grote rol gespeeld: het Latijn was de taal van de Kerk, dus van de clerici, terwijl de volkstaal door de niet-clerici werd gebezigd. Artikel 5 van de statuten stelt expliciet dat alle documenten in het Nederlands moeten zijn: de Meesters voirzeydt zullen alle de zaken voirseydt Int vlae<m>sche scriuen zo dat elckerlyck verstaen mach ende lesen. Daarmee werd beoogd een te grote invloed van en controle door de clerus tegen te gaan en vooral de broederschap te behouden in haar oorspronkelijk statuut van lekengroepering. Wellicht heeft een grotere eenvormigheid van het ledenbestand op het moment van stichting ertoe geleid dat de volkstaal waarvoor men gekozen heeft, het Nederlands was en niet het Italiaans. Indien verschillende groepen die elkaar minder gemakkelijk kunnen verstaan, toch samen een broederschap vormen, kiest men in Rome (logischerwijs) meestal voor het door iedereen gesproken Italiaans als voertaal. In S. Giuliano is dat, zoals verderop nog zal blijken, in een later stadium ook gebeurd, toen het aantal leden uit Franstalige gebieden (ook uit de Francophone gebieden in het graafschap Vlaanderen zelf) in aantal toenam.

   Overigens is de taal van de statuten uit 1444 duidelijk afkomstig uit een ouder stadium dan die van de preambule en andere begeleidende teksten uit 1574. Het ziet ernaar uit dat de kopie vrij getrouw is: u-vocalisatie voor o (up voor op), afwezigheid van de h waar deze moet staan of juist aanwezigheid waar deze niet moet staan, es voor is, enz. Af en toe lijkt de spelling wel wat gemoderniseerd, met name waar het de s met waarde van z betreft. In dit laatste geval priemt soms de middeleeuwse spelling sijn door, soms echter de modernere variant zijn. In principe stelt de taal niet veel problemen voor begrip van de inhoud: om die reden is er dan ook van afgezien een hertaling in hedendaags Nederlands aan de teksteditie toe te voegen.

   De zo net gememoreerde tendens van de statuten om het oorspronkelijk karakter als lekenbroederschap uit het graafschap Vlaanderen veilig te stellen is in feite het tweede dominante kenmerk. Statuten hadden in middeleeuwse context zowel tot doel functioneren te bepalen als de identiteit en de verworven privileges veilig te stellen. Het behoud van deze laatste is in feite een wezenlijk kenmerk van de middeleeuwse organisatie. In de statuten uit 1444 manifesteert zich dit met name in de continu herhaalde formulering ghemeene vlaminghen die vuyt vlaenderen zyn. In de praktijk blijkt het karakter van de broederschap aanzienlijk minder exclusief te zijn geweest: de inschrijvingslijst laat ook inwoners van Kamerijk, Doornik, Henegouwen en Namen zien (cf. infra), maar men is er blijkbaar toch in geslaagd om zich als kleinere nationale broederschap te handhaven en niet te worden opgeslorpt door grotere gehelen als Frankrijk of het Heilige Roomse Rijk. In verwante instellingen als het Campo Santo of de S. Maria dell'Anima zijn de Nederlanden in de loop van de 17de en 18de eeuw haast volledig uit het beeld verdwenen. In het geval van de Anima is de directe voogdij onder de Habsburgers in Wenen er uiteindelijk de oorzaak van geweest dat de instelling in de loop van de 18de en begin 19de eeuw veritaliaanste, omdat ze met name werd voorzien van inwoners uit de Italiaanse gebieden van het Habsburgse imperium. Onder invloed van het 19de-eeuwse Duitse nationalisme werd de Anima in de tweede helft van de 19de eeuw een Duits priestercollege, maar de Nederlanden waren zowat afwezig. Daarmee is S. Giuliano eigenlijk de enige instelling in Rome, die vanaf het begin exclusief met (een deel van) de Nederlanden verbonden is geweest.

   Naast onafhankelijkheid in territoriaal opzicht werd een broederschap in de kerkelijke stad Rome uiteraard bedreigd door clericalisering. De Kerk heeft in feite altijd gestreefd naar controle over dit soort instellingen en daarmee inschakeling in het eigen systeem, waarbij ook de leiding ondubbelzinnig in handen van priesters kwam. Het duidelijkst is dat gelukt in de 19de en vroege 20ste eeuw, maar ook eerder al is deze tendens waar te nemen. In S. Giuliano heeft men geprobeerd om het lekenkarakter veilig te stellen, onder meer door de controle al in de statuten niet uit handen te geven. Duidelijk wordt in artikel 1 bepaald dat een van de twee meesters van het hospitaal een cleercq zal zijn en de ander leec. Enkel alzoot de ghemeene vlaminghen profytelicx dynct, mocht men ook twee clerici tot meester kiezen. Maar ook dan bleef er controle door de broederschap als geheel. Zo werd bepaald dat alle financiële verrichtingen in een bouck genoteerd moesten worden en dat dit bouck altijd in het hospitaal moest blijven (art. 4) en aan het einde van het jaar moesten de meesters verantwoording afleggen In presentie vanden ghemeene vlaminghen of te minsten in presentie van vier ofte vyf persoonen die vuyt vlaenderen zyn (art. 3). Bovendien golden er bijzondere bepalingen voor de geldkist, waarvan elk der beide meesters een sleutel had en de kist niet zonder de ander kon opendoen. Overigens mocht hij de geldkist slechts openen ten zy datter twee ander by zyn of drie die vuyt vlaenderen zyn (art. 21). Ook de bepaling dat niemand meester van het hospitaal mocht zijn ten zy dat hy vuyt vlaenderen zy ende Inden broederschap van S. Juliane (art. 7), kadert in hetzelfde protectionistische profiel, evenals uiteraard de 'taalwet' in art. 5, die moest verhinderen dat de leden van de broederschap zouden worden overdonderd door een stapel documenten in het Latijn, de taal van de clerici.

   Naast deze 'conservatieve' elementen met het steeds herhaald tantrum die vuyt vlaenderen zyn, die het gedeelte van de statuten dat de meesters als leiders van het hospitaal betreft (art. 1-8), bevatten de statuten uit 1444 voorschriften voor religieuze plechtigheden (tevens bedoeld om de groepsgeest in het genootschap te bevestigen) en de concrete werking van het hospitaal. Tot de eerste categorie behoort de mis ter herinnering aan de consecratie van de kapel (donderdag na Onze Lieve Vrouw Lichtmis). Deze plechtigheid werd dan gevolgd door de verkiezing van de nieuwe twee meesters van het hospitaal (art. 1). In art. 18 en 19 werd  bepaald dat (en hoe) de pelgrims die in het hospitaal te gast waren, moesten bidden voor de leden van de broederschap en de overledenen.

   De concrete werking van het hospitaal wordt beschreven in art. 9 tot en met 19. Hier wordt verteld hoe de dagelijkse leiding in handen is van een inwonend echtpaar, de hospitaliers, die ook verantwoordelijk zijn voor het linnengoed en die recht hebben op de opbrengst van de tuin van het gasthuis (art. 9). Buiten noodgevallen wordt het hospitaal gesloten na het luiden van het Ave Maria, waarna niemand meer toegang heeft (art. 10). Enkel man en vrouw die een getrouwd echtpaar vormen en dat bovendien nog kunnen bewijzen, mogen samen slapen (art. 11). Verder slapen de mannen en vrouwen gescheiden, de mannen beneden in een ruimte naast de kapel, in een zaal die de naam beyaert draagt,[18] de vrouwen boven op zaal (art. 12). Gewone arme pelgrims uit Vlaanderen hebben recht op drie nachten verblijf, andere lieden uit Vlaanderen die geen geld meer hebben de welcke gheen trauwanten noch vagabonden en zyn, hebben recht op twee nachten, andere armen slechts op één nacht (art. 13). Arme priesters uit het oude graafschap hebben recht op acht dagen, maar zij moeten ook twee missen opdragen (art. 14). Langer verblijf is enkel mogelijk in geval van ziekte of andere noodgevallen (art. 15). Art. 16 voorziet een procedure voor Vlamingen die als zieke in het hospitaal wensen te verblijven: na de biecht worden eerst hun bezittingen nauwkeurig geregistreerd en vervolgens in bewaring genomen door het gasthuis: deze zullen mede het verblijf van de zieke helpen bekostigen. Indien de patiënt geneest, wordt wat rest teruggegeven. Eén enkel disciplinair artikel voorziet dat alwie eenighe question maken int hospitael niet in het gasthuis mogen verblijven (art. 17).

   De laatste drie artikelen van het reglement voorzien bepalingen rond schenkingen (art. 20), de geldkist (art. 21; cf. supra) en schade veroorzaakt door een van de meesters zelf (art. 22).

   De tekst van de statuten wordt overigens ook weer voorafgegaan door een preambule uit 1574. Hier wordt eerst en vooral het kopiëren 'gerechtvaardigd' met het argument dat de kennis van de statuten den grooten twist ofte differentie die zoude moghen causeren in toecommenden tyden inde prouiseurs van het tselue hospitael kan verhinderen. Interessanter lijkt de referentie naar de bron: de preambule geeft namelijk nauwkeurig aan dat de tekst van het reglement afkomstig is van de blaederen (= folia) 47 en 48 vuyt den ouden bouck. Het laatste is echter inmiddels verloren, net als de meeste overige oude archivalia. Omdat we niet precies weten wat die ouden bouck allemaal bevatte, is het moeilijk om een preciese oorzaak voor het verlies aan te geven. Misschien is het feit dat het huidige broederschapsboek (een deel van) de functie van dat oudere boek heeft overgenomen (waardoor dat andere in feite 'nutteloze ballast' geworden was) daar (mede?) debet aan. Het feit dat het huidige broederschapsboek altijd 'in functie' gebleven is, heeft het zelf zeker mede voor verlies behoed.

   De preambule van de statuten bevat echter nog twee andere elementen. Ten eerste wordt blijkbaar de naleving van het (oude) reglement verstrakt: dit komt overeen met het karakter van hervorming en vernieuwing dat we boven al hadden gepostuleerd voor het begin van dit broederschapsboek als zodanig. Daarbij kwam echter een nieuwere gewoonte, die tussentijds was ingeslopen, in het gedrang. Blijkbaar kregen de pelgrims in de 16de eeuw als veruarsschinghe ofte prouisie een baioche brood en een fogliette wijn per dag. Dat stond niet in het reglement uit 1444 en wordt nu - althans reglementair - weer ingetrokken. Echter voorziet men dat men op grond van het feit dat het hospitaal de macht heeft in de kerk van het hospitaal religieuze diensten te verrichten en bovendien het recht heeft aalmoezen aan de pelgrims toe te kennen, op grond daarvan dit gebruik in stand kan en zal houden zolang men voormelde macht heeft. Het geven van aalmoezen geldt immers als een sacrificie an god.

   Het tweede element verwijst naar een incident. Het wordt expliciet verboden dat een provisor andermans proces aanvaardt en dat op het hospitaal overdraagt. Daarbij wordt gerefereerd aan een recent voorval met een zekere Madonna Jeronima Macharona. De verdere aard van dit voorval onttrekt zich echter aan onze waarneming. Met deze modificaties wordt de oude tekst dus nog altijd actueel geacht.

   Naast de kopie van de statuten uit 1574 bevindt zich in dit handschrift ook nog een vertaling van deze statuten in het Italiaans op f. 159r-161v, gedateerd 20 januari 1672. Deze vertaling werd vervaardigd door de Waalse provisoren met toestemming van de gehele broederschap:

 

            Capitoli da osservarsi nel Hospedale di san Giulia-
            no della Natione di Fiandra, tradotti dalli Provisori Vallo-
            ni, con licenza di tutta la congregat(io)ne della med(esim)a Natione
            in lingua Italiana, e cavati da questo libro dalle carte n°
            2, 3, 4, e 5, qui adietro, accio detti Provisori Valloni chia-
            mati alla congregat(io)ne di san Giuliano, possino ancora loro
            sapere il contenuto di detti capitoli, p(er) buon governo dell'Hos-
            pedale.
            Laus Deo 1672 20 Gennaro in Roma

 

Juist in het begin van de jaren 1670 vond een relatief grote toestroom plaats van Waalse leden in de broederschap, zoals hieronder verder zal worden betoogd. Hier is dus te zien hoe het Italiaans fungeert als lingua franca in Rome als één (eigen) taal niet meer volstaat, waardoor men een toch voor iedereen aanvaardbare (en neutrale) basistekst heeft. Overigens luidt artikel 5 (f. 160v) ook in de Italiaanse versie: Item detti Provisori scriveranno tutte le sud(ett)e cose in Fiammengo, acciò ognuno possa intendere, e legere. Interessant is overigens dat de inschrijving van Jan van Witthem mee vertaald is in de preambule: op die manier is deze edelman meer verweven geraakt met de stichting van S. Giuliano dan hij zelf ooit had kunnen vermoeden.

 

Het inschrijvingsregister

 

Na de oudste inschrijvingen uit 1574 (f. 5r), die boven al aan bod kwamen, volgt het overige register op f. 5v-13r, waarbij dit zich uitstrekt over de jaren 1574 tot 1747. Het belangrijkste verschil met de inschrijvingen op f. 5r is dat vanaf f. 5v deze inscripties autograaf zijn. Vandaar ook dat dit gedeelte van het register niet langer gerekend kan worden tot het oorspronkelijke tekstbestand van het handschrift, maar bestaat uit in de loop van de tijd toegevoegde aantekeningen. Een van de gevolgen is dan ook dat de layout die op f. 2r-5r duidelijk eenvormig was, vanaf nu totaal verandert. Zijn de eerste folia keurig en systematisch volgens een bepaald plan neergeschreven, vanaf nu wordt het uiterlijk slordiger, afhankelijk van de aard van het schrift van de persoon, terwijl geen enkele rekening meer wordt gehouden met zaken als marge, verdeling over het blad enz. Alles ontwikkelt zich nu in de loop van jaren, waarbij, zoals eerder al werd aangegeven, het handschrift een eeuwig work in progress is.

   De meeste inschrijvingen bestaan niet enkel uit een naam, maar vormen een formule van het type 'X, afkomstig uit Y, heeft op xx van de maand Z van het jaar yyyy zich ingeschreven in de broederschap van S. Giuliano'. Deze inschrijvingen zijn overwegend in het Nederlands en het Italiaans. Enkele zijn in het Frans (in totaal 6 uit de jaren 1586-1601), terwijl, toch enigszins opmerkelijk, het Latijn gemarginaliseerd is: 5 in totaal (1 uit 1615, 1 uit 1690 en 3 uit 1721, alle van priesters).

   Een volledige namenlijst wordt, voor zover het mogelijk was de soms lastige namen te ontcijferen, in een appendix geboden. Daarbij blijft overigens de vraag of dit broederschapsboek volledig is, onbeantwoord: verschillende personen die uit de geschiedenis van S. Giuliano bekend zijn, komen niet in dit register voor. Ofwel heeft men nooit echte volledigheid nagestreefd (wat toch enigszins vreemd lijkt voor een dergelijk register), ofwel ontsnapt ons de juiste verhouding tussen dit register en de broederschap: in dat geval zouden de twee niet volledig synoniem zijn en ligt in dit register meer de nadruk op een (incidentele) donatie. Hier volgt een analyse van de groep als geheel, nadat enkele namen die ofwel meer algemene bekendheid genieten ofwel in de geschiedenis van S. Giuliano een grote rol hebben gespeeld of in de kerk begraven zijn, hier al de revue passeren (steeds met jaar en taal van inschrijving; de vorm van de naam is die uit het register).

   Zo treffen we o.m. aan: Giacomo Grenier uit Doornik, gedurende 13 jaar 'hospitalier' van S. Giuliano (f. 5v; 1599, Italiaans), de norbertijn Carlo de Clerck uit Vlaanderen (f. 5v; 1599, Nederlands), Giovanni Despiere, heer van Lahaie, uit Rijsel (f. 6r; 1586, Italiaans), Hierome de Moncheaux, prévost van Haspres, monnik van S. Vaast in Atrecht (f. 6r; 1586, Frans), Lois Despiert, heer van Venduille[19], uit het bisdom Doornik (f. 6r; 1586, Frans; mogelijk familie van Giovanni Despiere), Michel le Febvre uit Rijsel, priester van het bisdom Doornik (f. 6r; 1586, Italiaans), Pietro Delbequez, provisor van S. Giuliano in 1602 (f. 6v; 1598, Italiaans), Giacomo de Prato, provisor van S. Giuliano in 1595 (f. 6v; 1598, Italiaans), de filoloog en oudheidkundige Giovanni Lheureux (Macarius) uit Grevelingen (f. 6v; 1598, Italiaans)[20], Simon van der Kerken, doctor in de rechten, uit Oudenaarde (f. 6v; 1598, Nederlands), Georgio Hielio, zoon van de Gentenaar Petrus Hielius[21] (f. 7r; 1599, Italiaans), Cornelio Laurens uit Waver, architetto in Roma (f. 7r; 1599, Italiaans), Lamoral Vilain, heer van Mamisnes, 'alias d'Isenghien et de Rassinghien' (f. 7r; 1600, Frans), Justmans Triest uit Gent (f. 7v; 1601, Italiaans), Otto Peirs uit Avelgem, licentiaat in de beide rechten en kanunnik in Ieper (f. 7v; 1609, Nederlands), Jan Lampson uit Brugge, scriptor apostolicus (f. 8r; 1608, Nederlands), Johannes Museur, priester van het bisdom Kamerijk, rector van S. Giuliano vanaf 1615 (f. 8r; Latijn)[22], Franchoys Zackmoorter, doctor medicinae uit Oudenaarde (f. 8r; geen datum, Nederlands), Antoni van Nos uit Hulst (f. 8v; 1627[23], Nederlands), de glazenier Jan della Valle uit Sint-Winoksbergen (f. 8v; 1634, Nederlands)[24], zijn neef Winock de la Vael, eveneens uit Sint-Winoksbergen (f. 9r; 1643, Nederlands)[25], de schilder Jan Miele uit Beveren-Waas (f. 9r; 1647, Nederlands), Louis Primo uit Breivelden bij Ninove (f. 9r; 1653, Nederlands)[26], de apotheker en grootste weldoener van S. Giuliano Nicolais van Haringhe uit Ieper (f. 9v; 1659, Nederlands)[27], de glazenier Andries de Haghe, vermoedelijk uit Sint-Winoksbergen (f. 9v; 1664, Nederlands)[28], Bernart Wouters uit Sint-Winoksbergen (f. 9v; 1670, Nederlands)[29], Gio<vanni> Ludovico a Blanca, kanunnik van de kathedraal van Brugge (f. 11r; 1697, Italiaans), Ambr<osius> Car<olus> de Smet uit Lokeren, kanunnik van de kathedraal van Mechelen (f. 12r; 1721, Latijn), Antonius Copenolle (f. 12v; 1721, Latijn)[30], Marcus Letten uit Ieper, provisor in 1741 (f. 13r; 1741, Nederlands), de beeldhouwer Pietro Verschaffelt uit Gent (f. 13r; 1743, Nederlands), jonker Joannes Josephus Moerman d'Oudewalle, waarschijnlijk uit Gent (f. 13r; 1747, Nederlands) die als laatste tekende.

   In het register zijn er enkele sporen van onregelmatigheden te vinden. Zo werden op f. 11v de namen van Gilles Roos uit Sint-Niklaas (1703, Nederlands) en Pollo Natal (Paulus Natalis, 1703, Nederlands), beide tamelijk stuntelig geschreven, doorgehaald met de aantekening dat zij in 1705 werden 'wederleijt ende uijtgewesen' 'als onwettelijck gecosen'. Hierna volgt een verklaring dat Petrus van Eeckhout uit Gent (f. 11r; 1692, Nederlands) en Ludovicus Oppens uit Sint-Niklaas (f. 11v; 1698, Nederlands) in 1706 als provisoren zijn vervangen door Joan Battista de Vos (priester van het bisdom Ieper en rector van S. Giuliano) en de 'chirurgus' Petrus Smedt , 'ambos nationales' (verklaring in het Latijn, f. 11v). De beide laatsten zijn echter niet in het broederschapsboek terug te vinden. De verklaring is ondertekend door Petrus Lambertus, bisschop van Porphyra, als visitator apostolicus en Ignatius Backx, abt van Bellus Campus, van 1683 tot 1726 president van het Sint-Norbertuscollege te Rome, als adiutor. Ook de naam van Michel Carlier (f. 12r; 1715, Italiaans) werd later doorgehaald, maar in dit geval zonder toelichting.

 

In totaal zijn er (buiten de acht reeds eerder behandelde 'eerst ingeschrevenen') 124 namen genoteerd. Indien men het aantal per 25 jaar neemt, verkrijgt men de volgende verdeling:

 

1574-1599

37

1600-1624

17

1625-1649

14

1650-1674

19

1675-1699

21

1700-1724

11

1725-1749

13

 

Na het enthousiasme uit het begin, daalt het aantal ingeschrevenen per kwart eeuw in de eerste helft van de 17de eeuw tot minder dan de helft van dat in het kwarteeuw 1574-1599 tot ca. 15. In de tweede helft van de 17de eeuw valt er een lichte toename waar te nemen tot ca. 20. In de 18de eeuw echter neemt dit aantal opnieuw duidelijk af. Afgezien van het eerste kwarteeuw is er echter nooit statistisch een verhouding van tenminste één inschrijving per jaar te constateren. In de praktijk wil dit dus zeggen dat het in de hele 17de en 18de eeuw zeer geregeld voorkwam dat er jaren voorbijgingen zonder één enkele inschrijving, vooral omdat men vaak ziet dat verscheidene personen zich tegelijk, misschien zelfs bij dezelfde gelegenheid, inschreven. Daarmee blijkt S. Giuliano numeriek een vrij bescheiden broederschap te zijn geweest, waavan misschien 10-15 mensen tegelijk lid waren. In de 18de eeuw ligt dit aantal vermoedelijk lager.

 

Als men deze groep nader onder beschouwing neemt met het oog op het taalgebruik bij de inschrijving, blijkt dat er verschillende interessante vaststellingen te doen zijn.[31] Boven is al vermeld dat zowel het Frans als het Latijn een zeer ondergeschikte rol spelen in S. Giuliano, in beide gevallen toch wat verrassend. Latijn is immers de taal die clerici en hoger opgeleiden bij voorkeur bezigden, terwijl de populatie uit Franstalige gebieden, zowel uit het Franstalige deel van het graafschap Vlaanderen als uit aangrenzende gebieden, toch een groter aandeel van het Frans zou doen vermoeden. De taalkwestie in S. Giuliano heeft echter een ander karakter: in totaal blijken 54 inschrijvingen op de 124 in het Nederlands te zijn gebeurd en 59 in het Italiaans. Interessant is het om deze verdeling chronologisch uit te splitsen:

 

 

Nederlands

Italiaans

Frans

Latijn

1574-1599

6

19

4

0

1600-1624

4

10

2

1

1625-1649

12

2

0

0

1650-1674

11

8

0

0

1675-1699

7

13

0

1

1700-1724

3

5

0

3

1725-1749

11

2

0

0

 

In de eerste vijftig jaar van het register blijkt het Italiaans veruit de dominante taal bij de inschrijvingen, terwijl dat aantal ineens dramatisch daalt na 1625. Het Nederlands domineert dan in het midden van de 17de eeuw (al wint het Italiaans weer aan betekenis na 1650), waarna de verhoudingen na 1675 weer omgekeerd zijn. Pas na 1725 doet zich weer een wending in het voordeel van het Nederlands voor. Het spreekt vanzelf dat dit soort cijfers per kwarteeuw nader verfijnd kunnen worden. Zo blijken er tussen 1625 (Michiel de Smidt uit Brugge, f. 8r) en 1668 (Michiel Hanneron uit Terdeghem in Casselambacht, f. 9v) op in totaal 23 inschrijvingen slechts 2 in het Italiaans te zijn (beide in 1627: Giovanni Honijt (of Houijt?) uit Oudenaarde en Lorenzo Thijs van onbekende oorsprong, f. 8v). De rest is consequent in het Nederlands. Daarentegen zijn van de 22 inschrijvingen tussen 1670 en 1690 slechts 3 inschrijvingen in het Nederlands: de overige zijn in het Latijn (1) en het Italiaans. De dertig jaar tussen 1670 en 1700 vormen met in totaal 31 inschrijvingen overigens de kwantitatieve top.

   In het algemeen geldt de volgende regel: Nederlandstaligen schrijven zich in in het Nederlands, Franstaligen in het Italiaans. Dit basispatroon wordt echter verstoord door twee fenomenen, waardoor ook een aantal Nederlandstaligen zich in het Italiaans heeft ingeschreven. Ten eerste blijkt het buitenlandse element in Rome erg gevoelig voor italianisering, waardoor men in de administratie ook de vookeur geeft aan het Romeins-Italiaans. Dit gaat soms zelfs zeer ver. Zo is de privé-boekhouding met aantekeningen van de laatste pauselijke zanger en componist uit onze contreien, de Brabander Christiaan van der Ameijden uit Oirschot (ca. 1535-1605) volledig in het Italiaans.[32] Een tweede element is de beïnvloeding door de omgeving in het register. Men heeft de neiging min of meer dezelfde gegevens en formulering te kopiëren van wat men al in het register aantreft. Indien de bovenstaande inschrijving(en) in het Italiaans is/zijn, kan dat invloed hebben op de taal die men zelf kiest. Uiteindelijk waren de leden van de broederschap van S. Giuliano meestal leden van de kolonie uit de Nederlanden in Rome (eerder dan hoge bezoekers die zich tijdens hun kort(er) verblijf lieten inschrijven, zoals dat in de S. Maria dell'Anima wel vaak het geval was) en dezen waren bijna per definitie tweetalig moedertaal/Italiaans.

   De combinatie van de gegevens in de beide voorgaande paragrafen biedt ook de verklaring voor een andere toevoeging aan het oorspronkelijke manuscript, namelijk de reeds vermelde Italiaanse vertaling van de Statuten op f. 159r-161v uit 1672. Terwijl in de voorafgaande decennia de meeste inschrijvingen in het Nederlands waren en afkomstig van Nederlandstalige inwoners van het graafschap (ook de twee Italiaanse inschrijvingen vallen hier in feite onder), vond er in 1670-1671 een grote toeloop plaats van Franstaligen: Francesco N. (achternaam onleesbaar: Pennio.?) uit Namen (1670); Giuliano Ingiliarde uit Rijsel, Francesco Guilmy uit Tongrenelle in het bisdom Namen, Michele Caron 'du Biez in Artesia', Philippo Dominico Delespaul uit Roubaix, Maximiliano Wamberchies uit Binche (allen in 1671). Daarmee werd het contingent Nederlands-onkundigen in de broederschap ineens belangwekkend, wat leidde tot de bewuste Italiaanse vertaling. Wat hiermee echter nog niet is opgelost, is de vraag waarom de Franstaligen in S. Giuliano Italiaans spraken en schreven en geen Frans.

   Zonder een pasklaar antwoord op die vraag te kunnen bieden, zou ik twee elementen willen aanreiken die, alleen of in wisselwerking en dan waarschijnlijk ook in wisselend belang afhankelijk van de persoon en de periode, hierbij kunnen meespelen. Het eerste gegeven is min of meer voor de hand liggend: in Rome werden twee talen gebruikt, Latijn en Romeins-Italiaans. Dat gold, zoals boven al gezegd is, ook voor buitenlandse broederschappen die (zoals vaak het geval was) meer dan één taalgebied besloegen. Zo ook zijn de meeste interne archiefstukken van de S. Maria dell'Anima tot 1800 in het Latijn en het Italiaans en niet in het Duits (wat moeilijk zou zijn geweest voor de Nederlandstaligen en de talrijke Luikenaren, alsmede voor de Bohemers). Het is goed mogelijk dat in de gemengde gemeenschap die S. Giuliano op taalgebied uiteindelijk was, het Italiaans inderdaad de 'neutrale' voertaal was tussen de Nederlandstalige en Franstalige onderdanen van de graaf van Vlaanderen. Een tweede element is moeilijker in te schatten. Het inleidend tekstgedeelte, m.a.w. het oorspronkelijk tekstbestand zoals dat hierboven is aangeduid, is in het Nederlands. Misschien werd op een of andere manier het Nederlands als een 'nationaliteit of identiteit constituerende' factor beschouwd voor het graafschap Vlaanderen, waardoor de Franstalige Vlamingen en inwoners van aangrenzende gewesten de voorkeur gaven aan de lingua franca in Rome, het Italiaans, al valt op deze verklaring wel het een en ander af te dingen, o.m. het feit dat volk en taal en natie in de periode voorafgaande aan de Romantiek en de Franse Revolutie veel minder nauw met elkaar werden verbonden dan men dat vanaf 1830 in België en elders heeft gedaan. Bovendien golden de Franstalige onderdanen van de graaf van Vlaanderen (Rijsel, Roubaix en omgeving) als even 'Vlaams' als hun Nederlandstalige collega's en speelden allerlei taalpolitieke kwesties op dat moment nog in het geheel geen rol. De 'taalwet' uit de statuten van 1444 had, zoals al is gezegd, tot doel te verhinderen dat de administratie in het Latijn werd gevoerd en daarmee voor de niet-clerici onbegrijpelijk was: deze bepaling had met het Frans absoluut niets te maken.

   Het blijft hoe dan ook opmerkelijk dat de inschrijvingen in het Frans zo weinig talrijk zijn en bovendien alle (en enkel) in de beginperiode: Hierome de Moncheaux, monnik van S. Vaast in Atrecht, Martin du Rivage uit Rijsel, Giovanni Godart uit Namen (alle drie onder elkaar op f. 6r; 1586), Nicolas Coysel uit Brugge (f. 6r; 1592) Lamoral Vilain, heer van Mamisnes (f. 7r; 1600) en Henry Bureau (f. 7v; 1601).

 

Een ander criterium om greep te krijgen op de populatie uit het broederschapsboek is de geografische herkomst. In het algemeen worden zaken als beroep of geestelijke stand slechts sporadisch aangegeven, zodat deze geen geschikt vergelijkingskader bieden. Van 31 personen (= 25%) in het inschrijvingsregister is er geen min of meer duidelijke herkomst aangegeven. Dat betekent dan ook dat de hiernavolgende gegevens voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Desondanks geven ze nog altijd een goede indruk van de geografische spreiding en het recruteringsgebied van de broederschap van S. Giuliano. Van de overige 93 ingeschrevenen bleken er 53 afkomstig uit Oost- en West-Vlaanderen, 19 uit Frans-Vlaanderen (in brede zin), 1 uit Zeeuwsch-Vlaanderen, 4 uit de Cambrésis en Artois, 4 uit Doornik, 5 uit Henegouwen, 4 uit Namen en 3 uit Brabant. Ook hier is een zeker verloop in de tijd te bespeuren:

 

 

Vlaande-ren (België)

Vlaande-ren (Frankrijk)

Cambrai

Artois

Doornik

Hene-gouwen

Namen

Overige

1574-1599

9

6

1

3

0

2

1

1600-1624

6

2

0

0

1

0

0

1625-1649

9

2

0

0

0

0

1

1650-1674

5

6

1

0

2

2

2

1675-1699

11

2

1

0

1

0

0

1700-1724

3

0

1

0

1

0

0

1725-1749

10

1

0

1

0

0

0

Totaal

53

19

4

4

5

4

4

 

Bovenal is duidelijk dat de overgrote meerderheid van de leden van S. Giuliano afkomstig was uit het gebied waarvoor de stichting vanaf het begin in eerste instantie bedoeld was, het graafschap Vlaanderen (73 op 93). De verschillende annexaties door Frankrijk en de Republiek der Verenigde Nederlanden in de 17de en 18de eeuw hebben ertoe geleid dat 20 van deze 73 nu buiten België geboren zouden zijn. Het maken van dit onderscheid is wat gewaagd, in de zin dat het toch hedendaagse politieke entiteiten in het historisch kader binnenbrengt, maar de bedoelde annexaties voltrokken zich juist in de periode die door het broederschapsboek wordt bestreken. De enige Zeeuwsch-Vlaming (in de tabel bij de 'Overigen' geklasseerd) was Antoni van Nos uit Hulst (f. 8v; 1627), een stad die pas in 1645 door prins Frederik Hendrik van Oranje werd veroverd voor de Republiek. Bij de Vlamingen die afkomstig zijn uit het huidige Frankrijk valt eerst en vooral het sterke contingent uit Sint-Winoksbergen (Berghes) op: naast de boven al vermelde glazeniers uit de familie De la Vael en Bernart Wouters hoort daar ook nog bij Pietro Trutti (f. 10r; 1679, Italiaans). De broeders uit Sint-Winoksbergen en Cassel (Frans-Vlaanderen in enge zin) schrijven zich overigens meestal in het Nederlands in. De laatste inschrijving uit deze hoek stamt zelfs nog van zo'n late datum als 1735 (Raimondus Coolaert uit Hondschoote; inschrijving in het Nederlands, f. 12v). Verder komen er verschillende broeders uit Rijsel (Lille, Italiaans vaak: Lilla), uit het van oorsprong Franstalige deel van het graafschap (5 in totaal)[33].

   De grootste aantallen leden komen, zoals te verwachten was, uit de grote Vlaamse steden Gent (13), Brugge (8) en Ieper (6), maar ook uit kleinere localiteiten zijn broeders afkomstig, zoals Jacomo Dammiani uit Eksaarde bij Geraardsbergen (f. 8v; 1624, Italiaans) of Louis Primo uit 'Breijvelden' nabij Ninove (f. 9r; 1653, Nederlands). Met name in de laatste 75 jaar van de periode die door het broederschapsboek bestreken wordt, is het overwicht van de provincies Oost- en West-Vlaanderen overweldigend: tussen 1675 en 1699 11 van de 15 nieuwe broeders, tussen 1700 en 1724 3 van de 5 en tussen 1725 en 1749 10 van de 12. Het lijkt er op dat met name het wegzakken van de huidige Franse gebieden daar mee aan de basis van ligt. Bovendien ziet men tegen het einde van het register dat steeds meer namen uit de grote steden komen en dat dus de kleinere steden en dorpen beginnen weg te vallen. In die zin treedt er dus klaarblijkelijk vanaf het einde van de 17de eeuw een geografische verenging op. Dat valt te meer op daar het kwarteeuw 1650-1674 juist de breedste geografische spreiding kent (met slechts één broeder met onbekende geografische herkomst): slechts 5 van de 18 ingeschrevenen komen uit het huidige Oost- en West-Vlaanderen.

   Buiten de grenzen van het graafschap Vlaanderen vindt men nog ingeschrevenen uit aangrenzende (Franstalige) gebieden, zoals Cambrésis en Artois, Doornik, Henegouwen en Namen. Deze gebieden komen allemaal overeen met het aartsbisdom Kamerijk, waarvan zeker de westelijke delen (Kamerijk zelf, Artois, Doornik en Henegouwen) van oudsher zeer nauwe banden hadden met het graafschap Vlaanderen, zodanig zelfs dat men deze gebieden tot een soort invloedszone kan rekenen. Iets minder was dat het geval in Namen, het oostelijkste bisdom van het aartsbisdom Kamerijk. Tot dit bisdom behoorde ook Waver in het huidige Waals-Brabant, plaats van herkomst van Cornelio Laurens (f. 7r; 1599). Dat betekent dat de enige echt vreemde personen in het inschrijvingsregister de twee Antwerpenaren Cornelio de Wael (?) en Egidio Hussart (?) zijn (beide onmiddellijk na elkaar op f. 9v; 1661, Nederlands). De recruteringszone van S. Giuliano blijkt dan samen te vallen met het graafschap Vlaanderen in zijn grootste omvang en de gebieden onder invloed daarvan, overeenkomend met het aartsbisdom Kamerijk. Brabanders en Luikenaars ontbreken (op de twee Antwerpenaars en de Wavrien na) volledig: zij hadden als onderdanen van het Heilige Roomse Rijk hun plaats van samenkomst met name in S. Maria dell'Anima. Daarmee blijkt er in de 'Belgische' / Zuid-Nederlandse kolonie in Rome in de 16de tot 18de eeuw een geheel andere territoriale scheidingslijn te lopen dan later het geval zou zijn. Overigens dient er nogmaals op gewezen te worden dat het aandeel van deze aangrenzende gebieden (Cambrésis, Artois, Doornik, Henegouwen en Namen) in vergelijking met dat van het graafschap Vlaanderen vrij beperkt is en nog geen vijfde van het totaal aantal bedraagt. De broederschap van S. Giuliano ontving inderdaad mensen uit deze gebieden, maar bleef toch eerst en vooral duidelijk een broederschap van het graafschap Vlaanderen.[34] Daarmee bleef een echte verbreding van het recruteringsgebied tot de Zuidelijke Nederlanden in hun geheel tijdens het Ancien Régime dus uit en trad S. Giuliano niet op als 'toevlucht' voor de Brabanders (en eventueel de Luikenaars, als die zich daartoe geroepen hadden gevoeld) die in de 17de en 18de eeuw geleidelijk uit de S. Maria dell'Anima werden verdreven.

 

De overgang: twee 19de-eeuwse aantekeningen

 

In de tweede helft van de 18de eeuw raakt de broederschap van S. Giuliano duidelijk in een crisis. Zoals al werd gesignaleerd, stamt de laatste eigenlijke inschrijving in het broederschapsboek uit 1747. Het work in progress valt op dat moment tijdelijk stil en het gedeelte van het handschrift dat betrekking heeft op de oude broederschap, is ten einde. Nochtans bleef S. Giuliano wel bestaan, maar nieuwe inschrijvingen vonden niet meer plaats. Het jaartal van de laatste inschrijving kan overigens samenhangen met de ingrijpende hervormingen van het bestuur waaraan S. Giuliano vanaf 1748 werd onderworpen[35]: in het laatste gedeelte van de inschrijvingen luidt de formule vaak dat 'X uit Y op datum Z werd ingeschreven onder de provisoren van S. Giuliano', maar door deze statutenwijzigingen veranderde juist rond de functie en rol van de provisoren vrij veel. Dat zou ook kunnen betekenen dat geleidelijk de populatie van het inschrijvingsregister en dus de rol van het register als zodanig evolueerde van echt broederschapsboek met ook intekeningen van hoge gasten op doorreis tot register van namen van de leidende figuren van de instelling, m.a.w. van donateurs tot echte provisoren = bestuursleden van de broederschap..

   Het verloop van de geschiedenis is bekend: moeizaam bestaan in de tweede helft van de 18de eeuw en tijdens de Franse periode, lichte opleving in de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, inrichting als nationale kerk van het net onafhankelijke koninkrijk België in 1844.[36] Daarmee verdwenen wezenlijke elementen van de oude broederschap, zoals het pelgrimshospitaal, maar ook het karakter van een broederschap zelf, met zijn karakter van lekenvereniging. Ook S. Giuliano ontkwam niet aan de clericalisering en meer dan de provisoren vroeger is het sinds 1844 de rector van de kerk, die gezicht geeft aan de stichting. Dat zou ook voor het handschrift met het oude broederschapsregister en de tekst van de oude statuten ingrijpende gevolgen hebben, zoals onder zal worden uiteengezet.

   In de 19de eeuw echter was het tamelijk rustig. Blijkbaar werd het handschrift occasioneel boven tafel gehaald, maar niet meer gebruikt, wat op zich al illustreert dat er een fundamentele verandering in de stichting had plaatsgevonden. In ieder geval - en dat is wellicht ook van belang - bleef het bewaard, misschien zelfs in zekere zin gekoesterd. In het zeer patriottische België van net na de onafhankelijkheid vormde het uiteraard een van de belangrijkste getuigen van de geschiedenis van de instelling die net tot nationale kerk was verheven. Flarden van dit alles zijn te vinden in twee aantekeningen uit de jaren 1840, dus ruim honderd jaar na de laatste eigenlijke inschrijving, door twee West-Vlaamse priesters. Deze langere inscripties volgen in het register onmiddellijk op de laatste inschrijving uit 1747 (f. 13r-v) en hebben beide betrekking op de teloorgang van de oude broederschap en tradities.

   De eerste (f. 13r) is gedateerd 4 mei 1841 en werd ondertekend door J.O. Andries uit Ruddervoorde[37]:

 

                        het is jammer dat deze aenbelangende
            naemlijst van vaderlanders die te
[38] Romen hebben
            geweest niet is voorgezet geweest tot heden toe; en
            waer't dat den toekomenden heer Rector het gedagt
            kreeg van een nieuw Register of album aen te leggen,
            elk welgeboren Belg zou met genoegen zijnen naem
            daer op stellen, en dikwils daer bij nog eene aelmoes
            voegen voor't vercieren van de kerk, en den bloeij
            van dit overoud vaderlansch gesticht.
            Romen 4 meij 1841 J.O. Andries van Ruddervoorde bij Brugghe
                                                priester

   De tweede tekst (f. 13v) is gedateerd op 23 april 1848 (dus na de verwerving van een nieuw statuut) en ondertekend door Karel Vanderomstraete:

            Als welgeboren Belg achte ik het mij
            een pligt mijn volle aangekleeftheid aen
            het oud vaderlands gestigt van St
            Juliaen der Vlamingen te betoonen
            daerom heb ik gedurende mijn
            verblijf te Roomen, in gemelde
            kerk het heilig offer opgedragen.
            Mogte den heer het zelve gun-
            stig aanveerden tot volkomene
            lafenis der afgestorvene weldoeners
            diens gestichts, van alle andere
            Vlamingen en tot grooter heil
            en welvaart des vaderlands
            Roomen, 23 april 1848
            tijdens het bestier vanden eerw<aerden> Heer
[39] Vandenbroeck
                        Karel Vanderomstraete
                        Priester van het Bisdom Brugge

 

   In beide teksten komen dezelfde elementen terug: een gevoel van treurnis om de teloorgang van de oude stichting en de 'verkleefheid' aan de stichting als uiting van (Belgisch) patriottisme. In de eerste tekst wordt bovendien zeer expliciet de suggestie gewekt dat een hernieuwde broederschap een groot succes zou hebben. Toch staan deze twee teksten in het handschrift alleen: er is op geen enkele wijze sprake van een systematische voortzetting van het register en de concrete omstandigheden waaronder deze twee inscripties zijn ontstaan, blijven in het duister: Hebben de auteurs om toestemming van de rector gevraagd? Of hebben ze in spontane opwelling hun tekst neergeschreven? Waarom heeft deze aanzet geen verder vervolg gekregen? Het had een mooie verderzetting van de oude traditie kunnen zijn en dat had op zich goed in de romantisch-patriottische sfeer van dat moment gepast. Drie kenmerken vallen op in deze teksten: het zijn langere teksten, het gaat duidelijk niet om inschrijvingen in een broederschapsregister, maar om aantekeningen zoals men die vaak aantreft in een album de souvenir of een Gulden Boek, en, misschien nog het verrassendste op dat moment: beide aantekeningen zijn in het Nederlands.

   Daaruit volgt dat men enerzijds op dat moment een breuk vaststelde met het verleden, maar dat men zich toch nog duidelijk in dezelfde lijn en traditie zag staan. De suggestie van J.O. Andries wijst in dezelfde richting, evenals de sterk patriottische toon die ook nadrukkelijk het woord Belg gebruikt. Dat de twee auteurs beiden West-Vlamingen waren, is deels toeval, deels ook weer niet: uiteindelijk had S. Giuliano overleefd als een kleine broederschap onder met name West-Vlaamse leiding (meer bepaald de twee Brugse schilders A.V. De Muynck en J.B. Suvée).

   Tegelijk werd echter de broederschap (en daarmee het register) als een historisch gegeven beschouwd en aanvaard: het laatste vooral ook in romantisch-nationale zin. Van dit 'historisme' getuigt ook de 19de-eeuwse foliëring waarvan enkele sporen in het handschrift te vinden zijn. De eerste folia (f. 1-10) dragen een 17de-eeuwse foliëring, stammend dus uit de tijd dat het register in gebruik was. Hier wordt nu een zeer partiële foliëring aan toegevoegd en wel op twee plaatsen: ten eerste wordt f. 13r van folionummer voorzien (m.a.w. het blad waarop de 19de-eeuwse inscripties staan), waarmee dit blad als het ware wordt 'toegevoegd' aan het oude register; ten tweede wordt f. 159r voorzien van het (weliswaar foutieve) nummer 139. Op dit blad begint immers de Italiaanse vertaling van de statuten. Daarmee waren de toenmalige tekstgedeelten genummerd en werd het benoembaar en beschrijfbaar als een historisch object.

 

De 20ste eeuw: van nieuwe broederschap tot Gulden Boek (f. 15r-65r)

 

Het heeft er enkele decennia naar uitgezien dat het broederschapsboek in deze staat zou blijven en dat de 'levende fase' daarmee definitief was afgesloten. In het begin van de 20ste eeuw echter, onder het rectoraat van Mgr. Maurice Vaes (Antwerpen, 1875-1962), breekt een nieuwe fase aan in de geschiedenis van het handschrift. Materieel vertaalt zich dit op vijf manieren: de restauratie van de band, het aanbrengen van een systematische gestempelde foliëring in de rechterbenedenhoek van de rectozijde, het aanbrengen van een streng leeslinten in verschillende kleuren met kruismotief, het hernemen van teksten na een blanco f. 14 en de toevoeging van een nieuwe titel in sierletters op f. 15r: Liber Confraternitatis S. Iuliani Belgarum A.D. MCMVII. Dit alles verraadt grote plannen van de toenmalige rector die zich in verscheidene artikelen verdienstelijk heeft gemaakt voor de geschiedenis van S. Giuliano: hij beoogde in feite niet minder dan een herstel van de oude broederschap, precies zoals J.O. Andries het in 1841 had gesuggereerd. Deze vernieuwde broederschap zou dan tevens in zekere zin een bron van inkomsten kunnen worden voor de stichting, daar een donatie regel was. Het begin van deze tweede broederschap kan worden gesitueerd in 1907 met de eerste inschrijving van niemand minder dan paus Pius X (reg. 1903-1914) op f. 15r.[40] Om de waardigheid van de inschrijver duidelijker aan te geven werd de Latijnse tekst van Pius X (autograaf!) versierd met een rand van bloemen en het pauselijk wapenschild. Daarmee werd een belangrijke tendens ingezet, die het 'nieuwe broederschapsboek' zou kenmerken: de decoratie van een (groot) aantal pagina's.

   Wie door het 'nieuwe' gedeelte van het broederschapsboek bladert, ziet meteen dat de functie van het boek geleidelijk aan verandert, zonder evenwel dat het altijd mogelijk is om precies te zeggen wanneer dat gebeurt. Dat laatste lijkt vreemd, maar wordt waarschijnlijk verklaard doordat Mgr. Vaes blijkbaar al vrijwel vanaf het begin het boek zowel liet signeren als broederschapsboek als meer specifiek als Gulden Boek. Het onderscheid is met name intentioneel: het broederschapsboek noteert de namen van wie tot die broederschap toetreedt en dat (meestal) kenbaar maakt door een donatie, terwijl het Gulden Boek vooral bezoekers registreert (die soms overigens ook een schenking doen). In het begin is het aantal intekenaars nog relatief beperkt, na de Tweede Wereldoorlog echter neemt het aantal inschrijvingen tijdelijk enorm toe om dan vanaf ca. 1970 weer terug te vallen. Vanaf dat moment dient het register enkel nog voor hoog bezoek en neemt het daarmee (definitief?) de functie van een Gulden Boek voor hoge gasten op zich. De gegevens zoals die in het register worden aangetroffen, maken het niet onwaarschijnlijk dat het idee van een vernieuwde broederschap, dat Mgr. Vaes aanvankelijk zeker voor ogen heeft gestaan, in zijn zuivere vorm slechts kort opgang heeft gemaakt en dat de tweede functie al snel meer en meer de bovenhand heeft gehaald, en dat, ondanks het feit dat er nog steeds donaties in ontvangst werden genomen, de broederschap als zodanig meer een ideëel dan een reëel leven leidde.

   In het begin echter wierf Mgr. Vaes zeer actief nieuwe leden (en donaties). F. 15r-22r bevatten inscripties uit 1907. Na Pius X op f. 15r vermeld ik nog kardinaal Mercier en andere leden van een pelgrimstocht (f. 16r; met versiering met een draak die bloemen en een Vlaams wapen spuit), kardinaal Vannutelli, kardinaal Merry del Val en Hildebrand de Hemptinne, de bouwer van de Benedictijnerabdij op de Aventijn, alsmede de Belgische bisschoppen[41] (f. 18r), Mgr. Hebbelynck, oud-rector van de Katholieke Universiteit van Leuven, en R. Lemaire (f. 19r), en de twee historici G. Kurth (f. 22r) en L. Van der Essen (f. 21r met tekst in het toentertijd in Vlaamse studentikoze milieus in zwang zijnde pseudo-Middel-Nederlands: Ick hieronder gescrevene, der natie van Vlaenderen, hebbe die stadt Roomen besocht ende vriendelick onderkomen ontfanghen hebbende bijden Z.E. Heere Rector Mgr. Vaes, in 't aloude Hospitie van Sinte Juliaen der Vlamingen, hebbe alhier mijnen hertelicken danc willen nederscrijven ende mij oock in geseyden Broederscap laten opnemen. God segene twerck en sijnder Bestierder! Roomen, 1-16 Junius 1907). F. 17r draagt een marge van bloemen, een leeuw en de letters S.J. (Saint-Julien / Sint-Juliaan), f. 18r heeft een rand van bladwerk met een kelk en f. 19r vertoont een tekening van H. Juliaan zelf. L. Van der Essen signeerde op f. 21r een tekening met pelgrims op weg naar de koepel van de Sint-Pieter, alsmede het Belgisch wapen, en op f. 22r vindt men een decoratie met een floraal motief.

   Na het aanvankelijk enthousiasme volgen de inschrijvingen nu een langzamer tempo: op f. 30r wordt de Tweede Wereldoorlog 'overbrugd'. Ik signaleer hier enerzijds de versierde pagina's, anderzijds de inschrijvingen van bekende personen: f. 24r: Belgisch wapen, geflankeerd door belforten van Brugge en Gent (?), de kathedraaltoren van Antwerpen en de stadhuistoren van Brussel, in zwart-wit (1910) en de inschrijving, onder meer, van mgr. Paulin Ladeuze, rector van de Katholieke Universiteit van Leuven van 1914 tot 1940; f. 25r: tekening (gesigneerd door Henry Delmotte[42]) met heiligenbeeld, boeken en motto Caritas et labor, alsmede de ondertekening van acht soldaten en brancardiers van het front uit de Eerste Wereldoorlog, bijna allen uit het bisdom Doornik (1916-17); f. 26r: bloemenvaas, inschrijving van Martin Wiart (19 juni 1918); f. 27r: inschrijving van koning Albert I, koningin Elisabeth en prins Leopold, hertog van Brabant, geplaatst in een gekleurde randversiering met scènes uit de Eerste Wereldoorlog van de hand van Raphael Cledina (1922)[43]; f. 28r: inschrijving van de oudste zus van Albert I, Henriette, hertogin van Vendôme, prinses van België (1870-1948), met haar man, Emmanuel van Orléans, en dochter Geneviève, prinses van Orléans, geplaatst in een wingerdrank (1922); f. 29r: inschrijvingen van kardinaal Van Roey (1927) en graaf de Broqueville (1933) op een blad gedecoreerd met een afbeelding van H. Juliaan, gesigneerd door V. Saive[44] en gedateerd 1934; f. 30r: inschrijving van H. Pirenne (1933), alsmede van een groep onder wie de historicus van het Jansenisme, Lucien Ceyssens (vermoedelijk 1948).

   Tegenover de 7 folia uit 1907[45] staan er dus 8 voor de periode 1907-1945. Blijkbaar heeft Mgr. Vaes ook geen reis in België zelf met het handschrift meer ondernomen. Bovendien had hij zich al verzekerd van de inschrijving van een aantal (soms zeer) hooggeplaatste kerkelijke personen. Daarmee kreeg het broederschapsboek haast vanzelf al meer het karakter van een Gulden Boek voor hoge gasten. In hoeverre Mgr. Vaes het idee van een vernieuwde broederschap nog aankleefde of inmiddels wat had laten varen, is niet na te gaan: zowat iedere inschrijving is echter nog steeds vergezeld van een donatie. Toch valt op dat de personen die zich inschrijven voornamelijk tot de hogere of ontwikkelde klassen behoren, kerkelijk, wetenschappelijk of politiek. Ook het zeer grote aantal gedecoreerde pagina's treft wie dit gedeelte van het handschrift onder ogen krijgt. Het bekendste is uiteraard de pagina met de handtekeningen van koning Albert, koningin Elisabeth en prins Leopold.[46] De decoratie van de Luikse kunstenaar Raphael Cledina vertoont een rand met Belgisch wapen, met onder in het midden een bebloed zwaard met kruisbeeld geplaatst op een geplette Duitse adelaar, met links een soldaat die een gewonde collega wegdraagt onder het opschrift Saint Julien hospitalier en met de overstroomde IJzervlakte op de achtergrond, en rechts een verpleegster, met een bos rozen in de hand achter prikkeldraad. Nadat de inschrijvingsronde van 1907 blijkbaar voornamelijk op kerkelijke hoogwaardigheidsdragers was gericht, tekent nu voor het eerst in de geschiedenis van de nationale kerk van België het staatshoofd.

   Opmerkelijk is ook f. 25r met de handtekeningen van een achttal soldaten en brancardiers van het front die rond de jaarwisseling 1916-1917 Rome bezochten op pelgrimstocht. Dit blad is overigens het enige dat materieel niet tot het eigenlijke boekblok hoort: het is later ingeplakt. Ook f. 26r bevat een inschrijving van vóór de Wapenstilstand. Daarmee is de Eerste Wereldoorlog in feite prominent aanwezig in het Broederschapsboek. Interessant is het om dan te zien dat van de Tweede Wereldoorlog elk spoor ontbreekt: tussen 1933 en 1948 is er niet één inschrijving. Ook het Heilig Jaar 1933 heeft (net als overigens het Heilig Jaar 1925) geen spoor nagelaten. Het is dan ook duidelijk dat het Broederschapsboek nog niet fungeert als gewoon bezoekersregister. Mogelijk ook staat S. Giuliano enigszins buiten de pelgrimsreizen van dat moment. De inschrijvingen uit de Eerste Wereldoorlog kunnen eventueel verband houden met de extra patriottische sfeer van die jaren; misschien ook bood S. Giuliano deze bijzondere pelgrims wél een soort opvang, een taak die overigens sinds het midden van de 19de eeuw niet meer door S. Giuliano werd verzekerd.

   Aansluitend bij het gebruik in de vooroorlogse periode is dan de reeds vermelde inschrijving van L. Ceyssens en groep, alsmede de aantekening bij gelegenheid van de afscheidsreceptie van de Belgische ambassadeur bij de Heilige Stoel prins de Croy in 1948 (gedrukte uitnodiging opgeplakt op f. 30v, naamlijst op f. 31r, tegen een rand met bloemen, vogels en de bij die gelegenheid aan de kerk geschonken kazuifel).

 

Vanaf f. 32r verandert de situatie weer enigszins. Een titel Année sainte 1950 kondigt duidelijk de gelegenheid aan, bij welke de hiernavolgende inschrijvingen zijn gebeurd. De vermeldingen voor het jubeljaar 1950 lopen door tot f. 43r. Daarmee lijkt de ontwikkeling van specifiek broederschapsboek tot Gulden boek verder te lopen, al zou Gastenboek, gezien het groot aantal inschrijvingen vermoedelijk juister zijn. Toch duiden geregeld opduikende bedragen nog altijd op donaties, maar dat de betekenis van de inschrijving veranderd is, gedemocratiseerd is, indien men wil, is duidelijk. Na de enigszins formele decoraties in het voorgaande (weloverwogen en uitgevoerd met oog op de volledige pagina) komen nu tal van tekeningen voor, door inschrijvers, die spontaan lijken en niet beantwoorden aan enig vooropgezet plan. Ook duiken inscripties op van het type 'Met dank aan Mgr. Vaes' of een enkele maal zelfs een poëtische ontboezeming. Daarmee vertoont dit gedeelte van het broederschapsboek inderdaad kenmerken van een gastenboek zoals men dat bij musea, tentoonstellingen of ook bij bepaalde feesten aantreft.

   Zo vindt men op f. 32r een tekening van de kloostergang van S. Paolo fuori le Mura of S. Giovanni in Laterano, op f. 35r een tekening van de architraaf van de S. Maria Maggiore, op f. 37r een tekening in balpen van een Kempisch landschap, gesigneerd door A. Van Dijck, op f. 38r een gezicht op Bergen en de Lumeçon, en op f. 39r de Sint Pieter, gesigneerd door J. Courtens. Onder de inschrijvingen vallen te noteren Mgr. Callewaert van Gent (f. 33r) en Mgr. Himmler van Doornik (f. 34r). Meest opmerkelijk is wellicht de inschrijving van Anton Van Wilderode, gedateerd 2 september 1950, op f. 39r-40r met autograaf gedicht 'Na bezoek aan graf der Pauselijke Zouaven':[47]

 

                        Na bezoek aan graf der Pauselijke Zouaven.
            Vlaanderen antwoordt:
            "Ik ben gestorven met elken dode
             die voor Vlaanderen zijn leven gaf -
             en ik lig begraven in vele landen
             in menig graf.
             Ik droeg alle namen op Groeninges kouter

(f. 40r) en op vele kouters sindsdien; en ik lag
             als Zannekin op den berg van Kassel,
             op een wit bed als Rodenbach.
             Men heeft mij met dertig kogels doorschoten
             voor de Mechelse kathedraal
             en een hete kogel trof mij als De Rudder
             éénmaal.
             Ik viel voor den paus vóor de wallen van Rome
             in een opperst uur
             en sindsdien gaan de jongens van vlaandren dromen
             van dat groots avontuur.
             En sindsdien is Rome ons dubbel heilig
             en is elke tocht naar die stad
             ook een reis naar het dapperste, edelste Vlaanderen
             dat hier zijn bron en zijn einde had!"

Met dank aan Mgr. Vaes                                                        Anton van Wilderode
                                                                                                            2 Sept. 1950

 

   Met deze reeks inscripties is het jubeljaar 1950 op een geheel andere wijze in het register vertegenwoordigd dan de vorige twee Heilige jaren. Dit past in het kader van de enorme aandacht die aan dit Heilig Jaar werd geschonken als een soort nieuw begin na de ellende van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Het aantal gidsen voor Rome en andere boekwerken, verschenen in of net vóór 1950, is indrukwekkend en overstijgt de aantallen bij eerdere gelegenheden. Overigens is dit aantal ook aanzienlijk groter dan deze voor de Heilige Jaren 1975 en 1983; alleen voor 2000 is een vergelijkbare hoeveelheid publicaties te vermelden. Ook Mgr. Vaes heeft het zijne bijgedragen in dit kader. Van zijn hand verscheen het boekje Ons land te Rome door de eeuwen heen, uitgegeven door het Belgisch Nationaal Comité voor het Heilig Jaar in Brussel en 'tegen 25 frank verkocht ten bate van de "Stichting St. Juliaan der Vlamingen" te Rome'. Onder de illustraties van dit boekje, waarin naast de S. Giuliano ook de S. Maria dell'Anima, het Campo Santo Teutonico, de Stichting Lambert Darchies, het Belgisch college, de Academia Belgica en H. Johannes Berchmans aan bod komen, bevinden zich ook enkele fragmenten uit het broederschapsboek.

   Na 1950 verandert er in eerste instantie niets: zoals in wezen in de lijn der verwachting ligt (een patroon heeft de neiging zich stilzwijgend verder te zetten), blijft het boek functioneren zoals het gedaan had in 1950 zelf. Meer dan echt een broederschapsboek fungeert het als gastenboek en bezoekersregister, waarbij men naast schenkingen ook herinneringen aan huwelijken in S. Giuliano vindt. Ook vindt men nog enkele geïllustreerde pagina's zoals f. 48r met een tekening met zuilfragmenten, een kat en planten, gesigneerd Nicole Dor, en f. 49r met een tekening van de Madonna. Wat in het Heilig Jaar 1950 in feite ontbroken had, waren meer formele inschrijvingen zoals men die in een Gulden Boek (in engere zin) aantreft: zo vindt men nu op f. 57r de handtekeningen van koning Boudewijn en koningin Fabiola, met sierrand (1961),[48] en op f. 59r de handtekening van kardinaal Suenens (zonder datum). De sierrand van f. 57r beantwoordt weer aan de eerder formele versieringswijze die ook vóór 1950 gepleegd werd in dit register.

   Met deze twee inschrijvingen, die steeds een volledig blad hebben toegewezen gekregen, begint in de jaren 1960 het karakter van het Broederschapsboek opnieuw te veranderen. Vanaf 1970 wordt het register niet meer gebruikt voor intekening van wie maar wilde tekenen, maar ontwikkelt het zich tot een echt Gulden Boek, in de zin dat intekening gereserveerd is voor enkel de grote namen. Deze tendens wordt ingezet met Rika De Backer-Van Ocken (1923-2002), minister van Nederlandse cultuur en Vlaamse aangelegenheden in de eerste regering Tindemans (1974-1977) op f. 61r (1974), waarna volgen paus Johannes Paulus II (foto op f. 61v, handtekening op f. 62r) in 1986, koning Albert II en koningin Paola in 1998 (f. 63r, met sierrand), de Italiaanse minister van cultuur Giovanna Melandri in 2001 (f. 64r) en, als voorlopig laatste, de Nederlandse kroonprins Willem-Alexander in 2005 (f. 65r). Daarmee bereikt het broederschapsboek zijn huidige functie: het is de intentie van de huidige rector, Hugo Vanermen, om het boek ook in de toekomst nog op deze eerder bescheiden wijze te gebruiken. Het idee van broederschapsboek en donatie is hierbij echter volkomen verdwenen.

   Als men de verschillende fasen van het nieuwe broederschapsboek vanaf 1907 in kaart brengt en daarbij het aantal folia tegen de tijd afzet, blijkt de deels spontane evolutie nogmaals zeer duidelijk:

 

Periode

Folia

Aantal folia

Interpretatie

1907

f. 15r-22r

7

Broederschapsboek

1908-1918

f. 23r-26r

4

 

1920-1948

f. 27r-31r

5

 

1950

f. 32r-43r

12

Bezoekersregister

1950-1960

f. 43v-56r

13

 

1960-1970

f. 57r-60r

4

 

1970-2005

f. 61r-65r

5

Gulden Boek

 

Overigens zijn hier enkel de folia geteld. In de periode 1950-1970 werd ook geregeld op de versozijde geschreven (zeker na het Heilig Jaar), zodat het aantal bladzijden eigenlijk nog hoger ligt.

   Samenvattend kunnen we voor de fase van het 'nieuwe broederschapsboek' concluderen dat het eerste animo van 1907 in feite al snel wat bekoelde, dat in de tussentijd tot 1948 de functie geleidelijk evolueerde van broederschapsboek naar gastenboek, dat met het Heilig Jaar 1950 de inschrijvingen sterk toenamen omdat blijkbaar 'de drempel verlaagd werd', wat in de lijn lag van de voorgaande evolutie tot gastenboek, dat dit gebruik doorgaat tot ca. 1970, zij het met geleidelijk afnemende frequentie, en dat vanaf ca. 1970 het inschrijven eerder beperkt werd tot de grote namen, waardoor het broederschapsboek het karakter kreeg van een Gulden Boek, gereserveerd voor hoge bezoekers.

 

Conclusie

 

Het broederschapsboek van S. Giuliano weerspiegelt de geschiedenis van de instelling. Net als deze valt het handschrift duidelijk uiteen in een oud gedeelte en een nieuw. Het oude gedeelte werd begonnen in 1574 op een moment dat ook andere broederschappen zich hervormden. Het feit dat het broederschapsboek juist dan geopend werd, wijst ook voor S. Giuliano vermoedelijk in de richting van een nieuw élan, een nieuw enthousiasme, mogelijk ook een algehele vernieuwing, waarbij een verband met het Heilig Jaar 1575 niet geheel kan worden uitgesloten. In dit register werd een kopie van de Nederlandstalige oude hospitaalstatuten van 1444 opgenomen, misschien om het eigen aanzien door ouderdom te staven, mogelijk ook om de intekenaren werkelijk het reglement aan te bieden van de instelling waarvoor ze tekenden: hoewel formeel gescheiden, bestond er toch een nauw verband tussen broederschap en hospitaal. Deze kopie van de Statuten uit 1444 wordt gevolgd door in totaal 132 inschrijvingen in de broederschap. Bij deze inschrijvingen valt op dat de leden van de broederschap voornamelijk inderdaad uit het graafschap Vlaanderen afkomstig waren, met kleine groepen uit Artois, Kamerijk, Doornik, Henegouwen en Namen, met andere woorden uit die gebieden die deel uitmaakten van het aartsbisdom Kamerijk. De inschrijvingen gebeurden voornamelijk in het Italiaans en het Nederlands, enkele ook in het Frans of het Latijn. Hierbij blijkt dat Franstaligen er over het algemeen de voorkeur aan gaven zich in het Italiaans in te schrijven. Waarom het Frans zo weinig werd gebruikt, is nog niet duidelijk. Na een aanvankelijk enthousiasme in het laatste kwart van de 16de eeuw, zakt het aantal inschrijvingen in de eerste helft van de 17de eeuw om dan in de tweede helft van die eeuw weer toe te nemen. In de 18de eeuw volgt echter een nieuwe sterke daling tot aan de laatste inschrijving in 1747. In 1705-1706 vond er een visitatie plaats ten gevolge waarvan enkele leden werden geschrapt.

   S. Giuliano heeft de crisis van de 18de en vroege 19de eeuw met de Franse periode overleefd. In het net onafhankelijke België werd de kerk de nationale kerk van het nieuwe land. Voor het broederschapsboek had dit aanvankelijk weinig gevolgen, al werd in de jaren 1840 door twee bezoekers de teloorgang van de oude Vlaamse stichting wel beklaagd en werd de heroprichting van de broederschap aanbevolen. Het zou echter tot 1907 duren vooraleer Mgr. Maurice Vaes dit idee in praktijk zou brengen. Hij richtte de broederschap opnieuw op en liet weer inschrijvingen opnemen, te beginnen met paus Pius X. Het idee van de heropgerichte broederschap werd vermoedelijk al snel  wat gematigd en het broederschapsboek evolueerde tot een register van (hoge) bezoekers, in het Heilig Jaar 1950 en volgende zelfs tot een algemener bezoekersregister, tot het vanaf ca. 1970 weer enkel hoge bezoekers werd voorbehouden.

 

II Teksteditie van de Statuten van 1444

 

In het onderstaande wordt een editie van de tekst van de oude hospitaalstatuten uit 1444 gegeven. Er is voor gekozen om, in aansluiting bij de materiële verschijningsvorm in het origineel, - het enig bewaarde handschrift van deze tekst -, de oorspronkelijke schikking op het blad te behouden, zij het dat in afgebroken woorden wel een afbrekingsstreepje is geplaatst (-). Ook de spelling is volledig behouden, waarbij onze v in het midden van een woord normaal u is gespeld, terwijl een u aan het begin juist als v verschijnt: vuijt = uuijt ('uit'). Anomalieën in de spelling zijn strikt behouden: hier komt soms tot uiting dat de kopiist uit 1574 de spelling van het Middelnederlandse origineel licht heeft gemoderniseerd. Ook hoofdletters en interpunctie uit het handschrift zijn gehandhaafd. De tekst stelt weinig problemen voor het begrip, al dient de lezer er wel aan te denken dat soms een h is weggevallen (gheouden = 'gehouden', inder = 'hinder') of juist omgekeerd (hetene = 'eten', hiet = iet(s)). In de 17de eeuw is er, toen de boven vermelde Italiaanse vertaling werd gemaakt, een nummering aangebracht in de oorspronkelijke tekst. Deze nummering wordt hieronder behouden, zij het tussen ronde haakjes geplaatst. Afkortingen zijn opgelost, waarbij het toegevoegde deel tussen scherpe haken < > is gezet. Door de kopiist geschrapte passages staan tussen dubbele rechte haken [[ ]]. Door de kopiist per ongeluk weggelaten letters zijn tussen enkele rechte haken toegevoegd [ ]. De transcriptie is vergeleken met die gepubliceerd door Mgr. M. Vaes in zijn artikel 'Hospice de Saint-Julien-des-Flamands à Rome. Les statuts de 1444', verschenen in de Annales de la société d'émulation de Bruges, 67 (1924), 65-96 (aangeduid als: Vaes). Verschillen en overige opmerkingen zijn in voetnoot geplaatst.

 

 

(f. 2v)

Op dat in toe[co]<m>menden[49] tyden de oude statuten ende goede ordonna<n>tien

van het hospitael van S. Juliaen vander natien van vlaenderen, met

groote diligentie ende ten prouffyte van het voirseyde hospitael moghe<n>

onderhouden zyn totter eeren[50] gods ende zynder lieuer moeder maghet

maria ende dierghelycken ter [[h]]eeren van S. Juliaen. zo ist wel / van

noode anghemeerct den grooten twist ofte differentie die zoude moghen

causeren in toecommenden tyden inde prouiseurs van het tselue hospitael

te kiesen datmen de oude ende goede ordonna[n]tien[51] voirs<ey>t copieren zal

midts die treckende[52] vuyt den ouden bouck vuyt de blaederen XLVII en<de>

XLVIII. Int iaer ons heeren 1444 ende in eenen nieuwen bouck stelle[n][53]

up dat de voirseide goede ordonnantien de welcke met groote co<n>sideratie

inne ghezedt zyn ende tot een eeuwighe memorie moghen zyn onder-

houden ende oic de broeders lichtelicken moghen zien wat daer inne

ghescreuen staet[54] ende daer naer te reguleren. Tes wel waer dat

de aerme pillegrinen als danne gheene veruarsschinghe ofte prouisie

van eene baioche broots ende eene fogliette wyns sdaechs drie daghe<n>

voir elcken pillegrin dur<er>en en pleghen te hebben ghelyck die eenen langhe<n>

tyt tot nu toe ghehadt hebben maer anghemerct dat god almachtich de

gratie ghegeuen heeft dat tvoirseide hospitael voir eenen tyt de macht

heeft den dienst gods ter eeren van S. Juliaen ende tot der zalicheyt

vande voirseyde ghebroeders ende de ghesusters zielen inde kercke

van tvoirs<eyd>e hospitael te moghen bedienen ende voirts de voirseyde

almoesen ande voirscreuen pillegrinen te moghen doen<n>e. zo ist redene dat

de broederschap consentere alsulcken sacrificie an god te doen continueren

alzo langhe als de voirseide macht zal ghedueren.

 

Item ghebiedt de voirseyde broederschap aen alle prouiseuren als nu in wese<n>

zyn ende zullen ghecosen zyn in toecommenden tyden dat niemandt van hueren

en zal vermeten te aenverden eenighe processen van ander lieden ende

het hospitael over draghen ghelyct gheschiet is met Madonna Jeronima

macharona ende teghens dat ghebot doende zullen de zelue in alle

de schaden ende costen vallen. Dus zullen hier naer volghen de voors<eyd>e

oude satuten ende ordonna<n>tien die Inne ghezedt zyn van die vander

natien van vlaendren alder eerst.[55]

 

Dit[56] zyn de statuten ende de ordinantien de welcke[57]

gheordineert zyn ende ghemaect byden meesters vanden hospitale van

S. Juliaen van vlaendren ende de ghemeender natien van vlaendren Int

Jaer ons heeren .M.CCCC. ende XLIIII den viersten dach van octobre

Pontificatus s<anc>tissimi in chr<ist>o patris et domini nostri domini Eugeny

divina prouidentia p<a>pe[58] Quarti Anno quarto decimo.

 

(f. 3r)

(1)

Item int eerste dat men alle Iare vpden dach alsmen de feeste houdt vander

consecratie vander capelle ende den kerchoue daer dat[59] cruce staet Inden

hof vanden hospitale voirzeidt de welcken dach es[60] tdonderdaechs naer[61] onsen

vrouwen dach Lichmersse een messe zal doen synghen met al de solem-

nitaden die daer toe behoort inde Capelle vanden hospitaele voirzeidt

tot den welcke zullen ghebeden zyn vanden Meesters weghe al die

vuyt vlaenderen zyn ende zullen elck offeren Inde messe naer haer

deuocien ende dan naer den hetene zo zullen zy alle weder commen om<m>e

twee ander Meesters te kiesene vander nacien van vlaendren ende anders

gheene diet hospitael regieren zullen ende in warynghe hebben. Ende men

zal kiesen twee Meesters die den hospitael proffitelicx zyn vanden

welcken twee Meesters een zal cleercq zyn ende die ander zal leec

zyn oft alle beede[62] zullen cleerq zyn alzoot de ghemeene vlaminghen

profytelicx dynct Ende dan zo zalmen de statuten ende de[63] ordinantien

vanden hospitale over lesen Ende de[64] voorseide Meesters zullen

een Iaer lanck dat hospitael regieren.

 

(2)

Item men zal de voirseyde[65] Meesters kiesen Inde capelle vanden hospitaele

byden ghemeene vlaminghen die vuyt vlaenderen[66] zyn ende die te Rome

dan zyn Ende ist dat zaeke dat zy niet alle en commen zo eyst van

weerden dat byden meesten deele[67] ghedaen wort die daer commen.

 

(3)

Item de oude Meesters vanden Iare voirleden zullen vpden dach dat

zy verlaten worden oft ten lancxsten binnen acht daghen daer naer

de nieuwe M<eeste>rs alle dat goet dat den hospitale toebehoort ouer gheue<n>

met ghescriften ende rekeninghe[68] doen van al den ontfanck ende[69]

vuytghegeuen / In presentie vanden ghemeene vlaminghen of te[70] minsten

in presentie van vier ofte vyf persoonen die vuyt vlaenderen zyn.

 

(4)

Item de voirseyde Meesters vanden hospitaele[71] zullen eenen bouck hebben

daer men den ontfanck ende dat men vuyt gheeft ende aldat den hospitaele

toebehoort ende angaet In scriuen zal de welcke bouck zal altoos

Inden hospitael bliuen.

 

(5)

Item de Meesters voirzeydt zullen alle de zaken voirseydt[72] Int vlae<m>sche

scriuen zo dat elckerlyck verstaen mach ende lesen.

 

(6)

Item de voirseide Meesters zullen te coste vanden hospitaele alle

Iare ghedurende alle Sondaghe ende heychlich daghen diemen viert

(f. 3v)

messe doen lesen int hospitael ende allen zielen daeghe zo salme<n> doen singhen

eene messe voor alle zielen die den hospitale goet ghedaen hebben Ende

ooc mede vp[73] S. Juliaens dach de welcke[74] is acht daghen na derthien dach

ende te alle vierhoochtiden zo salme<n> ooc messe doen zynghen.

 

(7)

Item niemant en zal mueghen Meester zyn vanden hospitale ten zy dat

hy vuyt vlaenderen zy ende Inden broederschap van S. Juliane.

 

(8)

Item die Meesters zyn vanden hospitale en zullen haer Iaer gheduerende

gheene M<eeste>rs mueghen zyn vanden broederschepe noch die Meesters

zyn vanden broederschepe en zullen haer Iaer gheduerende gheene M<eeste>rs

mueghen zyn vanden hospitale voirzeidt.

 

(9)

Item int hospitael zullen wonen man ende wyf die te samen ghetrauwet

zyn dat goede lieden zyn ende tot haer daghen commen van goede co<n>ditien

ende fame de welcke zullen hospitaliers zyn vanden hospitale ende

dat hospitael verwaren ende den aermen antieren de lynlaken wassche<n>

ende nayen ende voort doen al dat daer toe behoort de welcke[75] zullen

hebben voor haer pyne ende haerbeyt huushuere ende bedde etc.[76] om niet

ende dat profyt van al dat groeyt ende wast inden houe vanden hospitael

ende ooc mede noch wat anders alzoot den Meesters goet dynct.[77]

 

(10)

Item de voirseyde hospitaliers sullen dat hospitael toe sluten als Aue

maria clocke gheluut is ende daer naer en zullen zy niemant

ontfanghen int hospitael noch in laeten noch gheen van al die

daer inne zyn huut laeten gaen om eenighe saeken ten ware dat noot ware.

 

(11)

Item ten sullen gheen man noch wyf te gadere slapen int hospitael

ten zy dat zy letteren hebben oft bewysen connen dat zy ghetrauwet

zyn te gadere.

 

(12)

Item de mannen sullen slapen beneden ande zyde vander capelle

gheheeten Inden beyaert ende de vrouwen bouen inde camere of anders

waert.

 

(13)

Item[78] alle aerme pellegrine<n>[79] ende aerme clercken die vuyt Vlaendren[80] zyn

zullen om gods wille slapen int hospitael drie nachten ende niet meer

(f. 4r)

ende die Rycke zyn ende ghelts[81] ghenouch hebben die en zalmen niet laete<n> slape<n>

int hospitael ende andere aerme ghesellen die vuyt vlaenderen zyn[82] de

welcke gheen trauwanten noch vagabonden en zyn sullen alleene twee nachte<n>

slapen ende andere aerme lieden die vuyt vlaenderen niet en zyn die zullen

eenen nacht slapen by al dat de bedden niet vol en zyn van de gone die

vuyt vlaenderen zyn.

 

(14)

Item die aerme priesters die vuyt vlaenderen zyn zullen slapen int hospitael

acht daghen Ende zullen gheouden[83] zyn te doene int hospitael voirzeydt

twee messen eene van Requiem ende een andere messe alzo den dach in

houdt ende die dat niet en doen en wilt die en zalmen int hospitael niet

laten slapen.

 

(15)

Item de Meesters voorseyt en sullen niemant laeten langher[84] slape<n>

int hospitael dan alzoot hier ghescreuen staet of ten ware datter ymandt

sieck ware of ander noot hadde.

 

(16)

Item ist datter eenich vlaminck zieck woort die int hospitael begheert te

zyne zoo[85] salmen orlof bidden ende consent vande Meesters ende zo zulle<n>

de Meesters vanden hospitale int eerste den siecken doen biechten[86] ende

dat sacrame<n>t gheuen ende sullen doen scriuen al dat ghelt ende dat goet

dat dien siecken[87] p<er>soon toebehoort ende met hem int hospitael brynct

ende sullen dat goet bewaren en<de> onder hemlieden ouden ende sullen den siecke<n>

daer mede doen ouden antieren ende visiteren Ende eyst dat saeke dat hy

gheraect[88] te steruene zo sal[89] al dat ghelt ende goet datter blyft ende achter hem

laet den hospitael toebehooren ende blyft hy ghezondt zo sullen[90] de

Meesters hem weder omme gheuen datter ouer bleuen es.[91]

 

(17)

Item esser ymandt die eenighe question maken int hospitael die en salmen daer

in niet laeten[92] slapen noch ontfanghen.

 

(18)

Item eer[93] dat men den aermen voirseidt te bedde doet gaen soo zalmen de clocke luyde<n>

ende zullen al inde capelle gaen om te singhen Salue Regina ende die niet

singhen en connen zullen lesen vyf Aue maria oft hiet anders dat zy conne<n>

ende bidden voor den genen[94] die dat hospitael ghefundeert hebben ende goet

ghedaen hebben ende van haren goede daer toe ghegeuen.

 

(19)

Item voort zo sullen[95] zy ooc bidden voor alle de gone d[i]e[96] int broederschap[97] zyn

van S. Juliaen ende die dat niet en doen die en salmen int hospitael niet meer

laten slapen noch ontfanghen.

 

(f. 4v)

(20)

Item es dat zaeke datter ymandt es die den hospitale wat gheeft ende

goet doet of daer inne wat doet maeken zo zullen de Meesters voors<eyd>t

dat ontfanghen vandes hospitaels weghe ende scriuen inden bouck vande<n>

hospitale dat zelue datter ghegeuen es[98] ende ghemaect ende de name en<de>

den toename die dat ghegeuen heeft ende doen maken ende dat Iaer en<de>

den dach wanneer dat ghegeuen es ende[99] [[wanneer]] dat ghemaect es[100] ende

eyst vele datter ghegeuen es[101] ende ghemaect zo sullen de meesters vanden

hospitaele voirseidt een ziele messe doen singhen int hospitael voor de

ziele tot welcker messe men bidden zal alle die vuyt vlaenderen zyn en<de>

ooc alle die int broederschap zyn van[102] S. juliane.

 

(21)

Item de Meesters vanden hospitale voirseid zullen tghelt vanden hospitale

sluten ende doen inden block die inde capelle staet de welcke block

zal hebben twee sloten ende elc Meester zal een slotel hebben zo dat deen

zonder den anderen den block niet hopen en zal moghen doen ende de

Meesters voirseid en zullen tot den block niet gaen noch hopen doen ten

zy datter twee ander by zyn of drie die vuyt vlaenderen zyn.

 

(22)

Item esser ymandt vanden Meesters voirzeydt die hiet doet dat den hospitale

ende der ghemeender natien voirseidt jeghens gaet ende inderen mach zo<n>der

beuel vander gemeender natien zo en salt van gheender weerden zyn ende

die zal die scade ende dat inder vprechten[103] ende zal voort staen ter

Correctie<n> ende te segghene vander ghemeender nacien van vlaenderen[104]

of ten minsten deele van hemlieden voirseydt. Amen.

 

Appendix: Namenlijst van de inschrijvingen 1574-1747

 

In deze lijst wordt steeds gegeven: de naam van de ingeschrevene, de plaats of het gebied van herkomst, indien aangegeven, het jaartal van inschrijving en de taal. De spelling en naamvorm van het handschrift zijn behouden, al is het gebruik van hoofdletters aangepast. In een aantal gevallen bleef de naam, ook na herhaalde autopsie van het handschrift, onduidelijk: in die gevallen is er tussen haakjes een vraagteken geplaatst. Deze lijst is dan ook niet te beschouwen als definitief, maar als een eerste aanzet, die wellicht kan worden verfijnd bij verder schrijdende ontsluiting van het archief van S. Giuliano. Vooraf worden de eerste (niet autografe) ingeschrevenen uit 1574 gegeven. Hierbij zijn verschillende namen op te merken die zowel op f. 2r als op f. 5r voorkomen. De plaatsnamen worden in het Nederlands aangegeven voor de Nederlandstalige gebieden, in het Nederlands en Frans voor Frankrijk en Franstalige gebieden in België.

 

(f. 2r; februari 1574, Nederlands, niet autograaf))

 

Giovanni de Withem /  Jan van Witthem heer van Berselle etc. ende vrijeheer van Bothersem

Monsieur de Coppony ghenaempt s<ign>or Franc<esc>o Dougnez

Monsieur Guilberto della Barre s<ign>or de Frenoy

S<ign>or Iacquin de Marchinelle, s<ign>or de Bucsval

S<ign>or Gio<vanni> le Maistre s<ign>or de Montedartois

 

(f. 5r; 1574, Nederlands, niet autograaf)

 

Jan van Witthem heere van Berselle ende vryheere van Botersem

Jan le Maistre seignor du mont van Artois

Anthonie vander Gracht, heere van Scardaus ende Frittyn

Guilberto della Barre, s<ign>or de Frenoy

Georgio Carpentier, Menen

Phil<i>po van Seclyn, heere van Zieleghem

 

(f. 5v)

 

Antonius de Ceuninck, priester en kanunnik van Br<ugge?> (1574, Nederlands)

Gaspar de la Torre, Brugge (1576, Nederlands)

Carolo Pardo, Brugge (1576, Nederlands)

Francesco Perrenot (1579, Italiaans)

Giovanni de Wilde, Laarne in het bisdom Gent (1582, Italiaans)

Giacomo Grenier, hospitalier gedurende 13 jaar, Tournai / Doornik (1599, Italiaans)

Carlo de Clerck, norbertin in Flander (1599, Nederlands)

 

(f. 6r)

 

Giovanni Despiere signore de Lahaie, Lille / Rijsel (1586, Italiaans)

Hierome de Moucheaux prevost de Haspres religieux de S. Vaast, Arras / Atrecht (1586, Frans)

Lois Despiert seigneur de Venduille, bisdom Doornik (1586, Frans)

Martin du Rivage, Lille / Rijsel (1586, Frans)

Giovanni Godart, Namur / Namen (1586, Italiaans)

Michele le Febvre, Lille / Rijsel, priester bisdom Doornik (1586, Italiaans)

Giovanni Mouton, Namur / Namen (1586, Italiaans)

Antonio Bolle, Ieper (1592, Italiaans)

Nicolas Coysel, Brugge (1592, Frans)

 

(f. 6v)

 

Jan Piers, Oudenaarde (1597, Nederlands)

Pietro Delbequez, provisor in 1602 (1598, Italiaans)

Giovanni Forvia (1589[105], Italiaans)

Giacomo de Prato, provisor in 1595 (1589, Italiaans)

Giovanni Lheureux (Macario), clericus, Gravelines / Grevelingen (1598, Italiaans)

Marco Camerlingo (1595, Italiaans)

Simon van der Kerken, doctor in de rechten, Oudenaarde (1598, Nederlands)

 

(f. 7r)

 

Giovanni Manart, Tournai / Doornik (1598, Italiaans)

Antonio Willeme, Lille / Rijsel (1598, Italiaans)

Hercole Ilecinio (?), clericus, St Omer / Sint-Omaars (1598, Italiaans)

Georgio Chini, Ieper (1586, Italiaans)

Georgio Hielio (1599, Italiaans)

Cornelio Laurens, architetto in Roma, Wavre / Waver (1599, Italiaans)

Lamoral Vilain, seigneur de Mamisnes alias dIsenghien et de Rassinghien (1600, Frans)

 

(f. 7v)

 

Baelthasar Borilles (?) (1601, Nederlands)

Justmans Triest, Gent (1601, Nederlands)

Henry Bureau (1601, Frans)

Georgio Meerheten (?) (1602, Italiaans)

Otto Piers, lic. utriusque iuris, kanunnik in Ieper, Avelgem (1609, Nederlands)

Giovanni Gherut (?) (1606, Italiaans)

Jean de Clericis (1606, Italiaans)

 

(f. 8r)

 

Jan Lampson, scriptor apostolicus, Brugge (1608, Nederlands)

Pietro Waegenaar (1612, Italiaans)

Johannes Museur, priester bisdom Kamerijk, kapelaan van S. Giuliano in 1615 (Latijn)

Franchoys Zackmoorter, doctor medicinae, Oudenaarde (?, Nederlands)

Giovane Fabri, Cassel (?, Italiaans)

Giovanni Pietro de Prata (1621, Italiaans)

Giovanni Gamber, Gent (1621, Italiaans)

Michiel de Smidt, Brugge (1625, Nederlands)

 

(f. 8v)

 

Francesco Dieussart, Arquinghehem bij Armentières (1622, Italiaans)

Jacomo Dammiani, Eksaarde bij Geraardsbergen (1624, Italiaans)

Antoni van Nos, Hulst (1627[106], Nederlands)

Jacques de la Riviera (1625, Nederlands)

Giovanni Houijs (?), Oudenaarde (1627, Italiaans)

Lorenzo Thijs (1627, Italiaans)

Guiden (?) Cocquut, Gent (1628, Nederlands)

Jacques Coucke, Gent (1628, Nederlands)

Cornelis Diamant, Oostende (1631, Nederlands)

Jan della Valle, Berghes / Sint-Winoksbergen (1634, Nederlands)

 

(f. 9r)

 

Juste de Porije, Oudenaarde (1641, Nederlands)

Winock de la Vael, Berghes / Sint-Winoksbergen (1643, Nederlands)

Jaques de Grave, Gent (1646, Nederlands)

Jan Miele, Beveren (1647, Nederlands)

Georgius van Soucke, Ieper (1648, Nederlands)

Louis Primo, Breivelden bij Ninove (1653, Nederlands)

Antonio Verpeene, Cassel (1655, Nederlands)

Joseph Sonder Eerde, Dendermonde (Sint-Gillis) (1656, Nederlands)

Andries de Smidt, Ruddervoorde bij Brugge (1659, Nederlands)

 

(f. 9v)

 

Nicolais van Haringhe f<igli>o Nicolais, Ieper (1659, Nederlands)

Cornelio de Wael, Antwerpen (1661, Nederlands)[107]

Egidio Huissart (?), Antwerpen (1661, Nederlands)

Andries de Haghe (1664, Nederlands)

Michiel Hannieron, Terdeghem (Casselambacht) (1668, Nederlands)

Franciscus Pennio<.> (?), Namur / Namen (?) (1670, Italiaans)

Bernart Wouters, Berghes / Sint-Winoksbergen (1670, Nederlands)

Giuliano Ingiliarde, Lille / Rijsel (1671, Italiaans)

Francesco Guilmy, Tongrenelle (bisdom Namen) (1671, Italiaans)

 

(f. 10r)

 

Michele Caron, 'du Biez in Artesia' (1671, Italiaans)

Philippo Dominico Delespaul, Roubaix (1671, Italiaans)

Maximiliano Wamberchies, Binche (1671, Italiaans)

Roberto de Mol, Gent (1673, Italiaans)

Balduino Durante, Binche (1673, Italiaans)

Michael van Bartheem, Dunkerque / Duinkerke (1673, Nederlands)

P.C. de Veecky (?), Gent (1676, Nederlands)

P. Carlo Perini, Mons / Bergen (1677, Italiaans)

Pietro Trutti, Berghes / Sint-Winoksbergen (1679, Italiaans)

George de la Haye, Cambrai / Kamerijk (1680, Italiaans)

Jacomo Lejeune, 'di Loquere Anversa Gante' = Lokeren? (1682, Italiaans)

 

(f. 10v)

 

Nicola de le Marre (1684, Italiaans)

Jean Charllo Pamely (1684, Italiaans)

Gio<vanni> Alberto Amas (1687, Italiaans)

Henrico Nepote (1690, Italiaans)

Valentino Martini, Hondschoote (1690, Italiaans)

Casimiro Graiewsky, Sint-Amandsberg[108] (1690, Italiaans)

Balduinus van Middelen, priester bisdom Ieper (1690, Latijn)

 

(f. 11r)

 

Justus Maximilianus De Bie, Brugge (1691, Nederlands)

Pietre van Eeckaute, Gent (1692, Nederlands)

Ferdinando de Vrindt, Gent (1692, Italiaans)

B (?) v<an> Audenaerde, Gent (1692, Nederlands)

Roberto Cordie (1692, Italiaans)

Stefano Waghemans, bisdom Gent (1694, Nederlands)

Gio<vanni> Ludovico a Blanca, kanunnik kathedraal Brugge (1697, Italiaans)

 

(f. 11v)

 

Loweis Oppens, Sint-Niklaas (Waasland) (1698, Nederlands)

Andries van Brussel (1690, Nederlands)

Gilles Roos, Sint-Niklaas (1703, Nederlands)[109]

Pollo Natal (Paulus Natali) (1703, Nederlands)[110]

 

(f. 12r)

 

Michel Carlier (1715, Italiaans)[111]

Antonio Flano (?), Cambrai / Kamerijk (1717, Italiaans)

Ambr<osius> Car<olus> de Smet, priester, kanunnik kathedraal Mechelen, Lokeren (1721, Latijn)

Joannes Carolus Hanotenu (?), priester (1721, Latijn)

Antonius Copenolle, priester (?) (1721, Latijn)

Francisco Inghels (1721, Italiaans)

Gerardus Franciscus Coeman, Oostende (1722, Nederlands)

 

(f. 12v)

 

Materno Coller, Chimay (1722, Italiaans)

Pieter Smit (1722, Italiaans)

Pietro Dupont, Sint-Niklaas (1728, Nederlands)

Pietro Gius<epp>e Dufour, Tournai / Doornik (1728, Italiaans)

Carlo Ramondt, Brugge (1728, Nederlands)

Jo<hannes> del Mey, Gent (1729, Italiaans)

Jan Fransies Pierssens (1730, Nederlands)

Raimondus Coolaert, Hondschoote (1735, Nederlands)

Joannes Batiste Nonckels, Kortrijk (1735, Nederlands)

Pieter Stas, Ieper (?) (1735, Nederlands)

 

(f. 13r)

 

Guilellimo Wauthie, Brugge (1737, Nederlands)

Marcus Letten, provisor in 1741, Ieper (1741, Nederlands)

Pietro Verschaffelt, Gent (1743, Nederlands)

Andries de Grutter, Ieper (1746, Nederlands)

joncker Joannes Josephus Moerman d'Oudewalle, Gent (?) (1747, Nederlands)

 

 

Uit : IN MONTEARTIUM Nr. 5, 2012, Royal Library of Belgium, pp.169-215

 

 

*    Ik wens hier mijn dank te betuigen aan pater Hugo Vanermen, rector van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen, die mij toestond het handschrift dat onderwerp is van dit artikel, te bestuderen, alsmede aan de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel die het mij genereus mogelijk maakte dat ik enkele dagen in Rome kon verblijven om het onderzoek voor dit artikel te doen.

[1]    Een eerste beschrijving alsmede een (niet foutloze) editie van deze statuten is te vinden in M. Vaes, 'Hospice de Saint-Julien-des-Flamands à Rome. Les statuts de 1444', Annales de la société d'émulation de Bruges, 67 (1924), 65-96.

[2]    Voor de grafstenen zie:  J. Ickx - L. Winckelmans, ‘Grafmonumenten in de kerk van Sint-Juliaan-der-Vlamingen te Rome. I. Periode vóór de Franse Revolutie’, Bulletin de l’Institut Historique Belge de Rome, 67 (1997), 225-314.

[3]    Illustratie met transcriptie in M. Vaes, Ons land te Rome door de eeuwen heen (Brussel, [1950]), p. 33; afbeelding in J. De Brabandere - B. De Groof e.a., 1000 jaar San Giuliano dei Fiamminghi (Brugge, 1996), p. 119.

[4]    Afbeelding van de aanhef van de tekst van de Statuten met transcriptie in M. Vaes, Ons land te Rome, p. 27; afbeelding van f. 2v-3r in De Brabandere - De Groof, 1000 jaar San Giuliano, pp. 120-121.

[5]    Suggestie verwoord door M. Vaes, Ons land te Rome, pp. 34-38.

[6]    Zal: add. supra lin.

[7]    Om ... zyn: om. Vaes, 'Hospice de Saint-Julien', pp. 65-66, n. 2.

[8]    Het is bij de identificatie van onderstaande namen niet de bedoeling geweest volledigheid na te streven: zulks zou het kader van deze bijdrage ook overstijgen. Getracht is deze personen terug te vinden in de gedrukte literatuur, waarbij bovendien het bestand van het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België is benut, met zijn waardevolle genealogische fonds (zoals met name het fonds Goethals).

[9]    Cf. De Brabandere - De Groof, 1000 jaar San Giuliano, pp. 118 en 120, onder de naam 'Jan de Witte'.

[10]  Cf. C. Butkens, Trophées tant sacrés que prophanes du duché de Brabant (à La Haye, 1724), tom. I, pp. 658-659. In het exemplaar uit het fonds Goethals, dat bewaard wordt in het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel (vanaf nu: KBR) en dat in 1772 door het Brusselse stadsbestuur aan de toenmalige Koninklijke Bibliotheek van Bourgondië geschonken werd, in de stamboom met de hand aangevuld.; D. Schwennicke (ed.), Europäische Stammtafeln. Stammtafeln zur Geschichte der europäischen Staaten, neue Folge, Band III, Teilband 2, Tafel 246. Over Hendrik III zie: Nieuw Bibliografisch Woordenboek, 14 (1992), k. 774-780 (met literatuur).  Er bevindt zich tevens een genealogie in KBR, ms. II 1669, f. 28v-29r. Bij wijze van anecdote: Jans overgrootvader figureert in het Suske-en-Wiske-album De schat van Beersel.

[11]  F. 5r: 'Jan le Maistre, seignor du Mont van Artois'. Het is mij niet gelukt meer greep op deze persoon te krijgen.

[12]  F. 5r: 'Anthonio vander Gracht, heere van Scardaus ende Frittyn'. Antoon, zoon van François en Adriana van Liedekercke, huwde Gertrude van Berlo. Hij overleed 17 maart 1617 en werd begraven in de Onze Lieve Vrouw in Mechelen. Hij was heer van Scardau, Fretin, Bavinchove, Coutere, Overacker, Walle en Beaulieu. Cf. KBR, ms. G1299, f. 6r. Scardau of Scardauw is een onderdeel van Gullegem in de West-Vlaamse gemeente Ledegem, Fretin ligt ten zuidoosten van Rijsel.

[13]  F. 5r: 'Guilberto della Barre, seignor de Frenoy'. Guilbert de la Barre wordt niet vermeld in de genealogische fragmenten in KBR, ms. G592, f. 137v-138r en 150v of ms. G886, f. 66v-67r.

[14]  F. 5r: 'Georgio Carpentier van Meenen'. Hij overleed op 5 oktober 1575 op 28-jarige leeftijd. Op zijn grafmonument in S. Giuliano (het enige nog echt originele uit de periode van vóór de verbouwing in de 18de eeuw en geplaatst tegen een zijwand) wordt hij betiteld als koopman (mercator). Hij was gehuwd met Suzanne Decordes en schreef zich op 12 maart 1574 ook in in de broederschap van S. Maria dell'Anima. Cf. V. Gaillard, Epitaphes des Néerlandais (Belges et Hollandais) enterrés à Rome (Gand, 1853), p. 91; Ickx - Winckelmans, ‘Grafmonumenten', pp. 276-277, N. 6 en ill. 2; het grafschrift ook in KBR, ms. 13986, f. 15r. Met dank aan D. Aps van het Stadsarchief van Menen die op mijn vraag de bestanden aldaar heeft gecontroleerd.

[15]  F. 5r: 'Philippo van Seclyn, heere van Zieleghem'. Over Filips heb ik weinig meer kunnen vinden dan dat hij de zoon was van Gowy van Seclyn: cf. genealogisch fragment in KBR, ms. G1836, f. 12v-13r. Het is overigens niet geheel duidelijk of het hier gaat om een familie die in Gent is geattesteerd, dan wel of dat er eerder sprake is van een tak die samenhangt met het Frans-Vlaamse Seclin nabij Rijsel. De inschrijving is gebeurd door een Nederlandstalige die voor de voornamen meestal Italiaanse vormen gebruikt, wat de reconstructie van de oorspronkelijke naam niet altijd vergemakkelijkt. Een bijkomstig probleem wordt gevormd door het feit dat de localiteit Zieleghem onvindbaar blijkt. Men vermoedt dat dit ofwel slaat op een landgoed nabij Oudenaarde, ofwel op enkele stukken land nabij Sint-Omaars, ofwel om een vervorming van Seneghem (mondelinge mededeling van G. Van Zieleghem, Leuven).

[16]  F. 2r: 'Monsieur de Coppony ghenaempt seignor Francesco Dougnez'. Waarschijnlijk gaat het om de tweede zoon van Claude d'Ongnies en Jacqueline Mallet. Hij overleed in 1590. Uit zijn twee huwelijken komen twee familietakken voort, waarvan de oudste, teruggaande op François' zoon Claude, de titel van Coupigny behoudt, terwijl de jongere zoon, François, heer van Courières en Ourges (in Artois) wordt. Cf. M. de Vegliano - J.S.F.J.L. de Herckenrode, Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne, III (Gand, 1868), p. 1471 en 1474 (voor de jongere zoon). Beide François worden ook vermeld in de genealogie die te vinden is in KBR, ms. G780, f. 13r-13v. Cf. Butkens, Trophées, tom. II, p. 287.

[17]  F. 2r: 'seignor Iacques de Marchinelle seignor de Bucsval'. In de Vegliano - de Herckenrode, Nobiliaire, III, p. 1717 wordt een Nicolas de Saint-Genois, heer van Grand-Breucq, Buseval, Frasne enz. vermeld, die in 1598 Marie de Bernemcourt huwde en in 1633 prévôt van Valenciennes werd. Hij was de zoon van Arnould de Saint-Genois en Agnès de Marchenelles. Jacques was mogelijk een broer van Agnès.

[18]  Verschillende oude gast- en pelgrimshuizen in de Nederlanden heten nog steeds de Beyaert (of met andere spelling), zoals in Breda en Oirschot.

[19]  Venduille is de oude naam van Vendeville, tegenwoordig een kleine gemeente in het Franse département Nord, ten zuidoosten van Rijsel, dichtbij Séclin.

[20]  Macarius doceerde ruim twintig jaar Grieks in Rome; cf. Biographie nationale, 12 (Bruxelles, 1892-93), kol. 88 (met als levensdata 1540-1604, het laatste moet echter foutief zijn, cf. infra). In KBR, ms. 19109, f. 272, bevindt zich een brief van Johannes Lheureux alias Macarius aan Erycius Puteanus, gedateerd 'Ariae' (Aire), 17 april 1609, waarin hij ook spreekt over zijn onderwijsactiviteit in Rome: 'docui Graeca fateor Romae non paucos annos'. Een andere brief, aan zijn broer, gedateerd Aire, 4 december 1601, bewaard in deel 2 van ms. II 2661, is (met het gehele volume) overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief (Kerkelijk archief, 16861 / 2-3-4); cf. J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique à Bruxelles, 6 (Bruxelles, 1906), pp. 107-108. Lheureux schreef verschillende werken waarvan er een pas na zijn dood werd gedrukt (Abraxas seu Aristopistus, Antwerpen: Balthasar Moretus, 1657, met aantekeningen van Jean Chifflet). De overige bleven blijkbaar in handschrift en werden door hem nagelaten aan het Collegium Trilingue in Leuven: op het moment zijn deze nog niet teruggevonden. ***

[21]  Petrus Hielius was provisor van S. Giuliano in 1573 en wordt vermeld als sollicitator aan de curie vanaf 1574. Hij stierf in Rome op 14 oktober 1595 en werd begraven in de S. Maria dell'Anima, waar zijn monument nog steeds te zien is aan de wand van het rechterzijschip. Cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', p. 303, N. 27; M. Verweij, De Santa Maria dell'Anima te Rome. Bezoekersgids (Rotterdam, 2003), p. 47. Hielius was lid van S. Maria dell'Anima, maar voor zover is na te gaan geen provisor van die broederschap. Een als kind gestorven zoon van Petrus, Pompeo, is begraven in S. Giuliano; cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 281-282, N. 10.

[22]  Zie over deze vooraanstaande figuur in de geschiedenis van S. Giuliano: Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 290-292, N. 16. Museur stamde uit het Henegouwse Aubechies en stierf in Rome op 2 april 1669. Zijn grafmonument (met buste) is nog steeds in de S. Giuliano te bewonderen. Zie afbeelding in De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, p. 50-51; H. Vanermen - H. Zeedijk - C. Cuijpers, Fiamminghi in Rome. Vlaamse voetsporen in de Eeuwige Stad (Leuven, 2007), p. 67.

[23]  Ante corr.: 1626.

[24]  Cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 296-298, N. 20. De la Vael stierf in Rome op 20 september 1655 en werd in de S. Giuliano begraven. Zie ook afbeelding in De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, p. 40-41.

[25]  Winock de la Vael was eveneens glazenier en volgde zijn oom min of meer op. Cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 298-300, N. 21. Hij overleed in Rome op 17 september 1663. Zijn grafmonument bevindt zich, net als dat van zijn oom, nog steeds in de S. Giuliano; cf. De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, p. 109; Vanermen - Zeedijk - Cuijpers, Fiamminghi in Rome, p. 66.

[26]  Louis Primo wordt door M. Vaes, Ons land te Rome, p. 40, geïdentificeerd met de schilder Ludovicus Cousin, alias Gentile (ca. 1605-1667), die echter meestal als van Brusselse origine wordt genoemd. Dat hoeft echter geen beletsel te zijn, daar vaak de grootste plaats in de omgeving werd aangegeven. Cf. Biographie nationale, 18 (1905), kols. 249-252 (waarin evenmin S. Giuliano als Breivelden worden genoemd). In de achterzaal van S. Giuliano bevindt zich een schilderij van Cousin, 'De Zalige Winochus, abt'; cf. Vanermen - Zeedijk - Cuijpers, Fiamminghi in Rome, p. 70.

[27]  Van Haringhe (Ieper, 25 januari 1625 - Rome, 30 april 1705) maakte fortuin als apotheker en trad dan ook op als mecenas. Hij bezat o.m. een uitgebreide collectie schilderijen. Zijn fortuin liet hij grotendeels na aan S. Giuliano waar hij ook het hoofdaltaar had laten oprichten. Hij was verschillende malen provisor van de broederschap (1660, 1670, 1680, 1690, 1694 en 1700). Aan hem herinneren in de kerk van S. Giuliano zijn grafmonument vóór het hoofdaltaar, een medaillon met buste en een gedenksteen tegen de achterwand. Cf. baron Bonaert, 'Nicolas van Haringhe (1625-1705), bienfaiteur de l'église Saint-Julien-des-Flamands à Rome, et sa famille', Le Parchemin, 58 (1993), 146-170 (genealogie); Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 268-271, N. 2; De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, pp. 45 en 101-105; Vanermen - Zeedijk - Cuijpers, Fiamminghi in Rome, p. 73.

[28]  Cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 302-303, N. 26.

[29]  Zijn grafmonument bevindt zich nog steeds in de S. Giuliano; cf. Ickx-Winckelmans, 'Grafmonumenten', pp. 300-301, N. 22. De sterfdatum is echter niet ingevuld. Wouters of Valtierus was provisor van S. Giuliano in 1705 en deken in 1714. Zie ook afbeelding in De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, p. 40.

[30]  KBR, ms. G102 (uit het fonds Goethals) is een Bondigh verhael der Nederlantsche oorlogen ende borgherlycke oneenigheden op naam van een priester Coppenolle (voornaam niet bekend). Het handschrift bevat op f. 2r het portret van de auteur en stamt uit het tweede derde van de 18de eeuw. Is de auteur hiervan identiek met Antonius Copenolle of familie van hem? Cf. A. Pinchart, Catalogue de la Bibliothèque de M. F.-V. Goethals. Manuscrits (Bruxelles, 1878), p. 41. De tekst eindigt met een biografische lijst van enkele geestelijken uit het begin van de 18de eeuw. De laatste datum, die overigens na het voltooien van het handschrift lijkt te zijn toegevoegd, is 1739 (f. 478v). De auteur, die enkel op de rug van de band geïdentificeerd wordt, blijkt met name goed geïnformeerd over het kapittel van de Sint-Salvator in Brugge.

[31]  Vanaf nu zijn de acht eerst ingeschrevenen buiten beschouwing gelaten, omdat ze niet autograaf zijn. Hun herkomst wordt ook niet meegedeeld in het Broederschapsboek.

[32]  Cf. M. Verweij, Een Oirschottenaar in Rome. Biografie van Christiaan van der Ameijden ( 1605), pauselijk zanger en componist ('s-Hertogenbosch, 2005), pp. 6-7 (met name noot 8).

[33]  Naast de eerder al vermelde Giovanni Despiere, Martin du Rivage, Michele le Febvre en Giuliano Ingiliarde nog Antonio Willems (f. 7r; 1596?, Italiaans).

[34]  De voorstelling zoals M. Vaes die in verscheidene publicaties geeft, dient dan ook wat genuanceerd te worden. Cf. o.m. M. Vaes, Ons land te Rome, p. 52.

[35]  Cf. M. Vaes, Ons land te Rome, p. 44-45.

[36]  Cf. M. Vaes, Ons land te Rome, pp. 44-54.

[37]  Joseph Olivier Andries (Ruddervoorde, 1796-1886) speelde een rol in het verzet tegen Willem I. Van 1835 tot 1839 zat hij in het parlement voor het arrondissement Gent. Hij was medestichter van de Société d'émulation de Bruges en is de auteur van verschillende bijdragen over historische onderwerpen. Cf. P. Legrain, Le dictionnaire des Belges (Bruxelles, 1981), p. 14.

[38]  te: add. supra lin.

[39]  vanden eerw. Heer: add. supra lin.

[40]  Illustratie in M. Vaes, Ons land te Rome, p. 55; De Brabandere - De Groof, 1000 jaar San Giuliano, pp. 116-117.

[41]  De inschrijving van de Belgische bisschoppen gebeurde niet in Rome, maar in België zelf: het ziet er naar uit dat Mgr. Vaes in deze periode ook in België actief leden 'ronselde' voor de nieuwe broederschap.

[42]  De architect Henry Delmotte (Luik, ca. 1895 - ?) was bursaal van de Fondation Lambert Darchies. Een gouache van zijn hand, 'Zeestrand', gedateerd 1915, vormt deel van de in de 19de eeuw begonnen collectie werken van bursalen van die stichting. Na zijn legerdienst keerde hij in 1916 naar Rome terug, waar een tentoonstelling van zijn werk in S. Giuliano werd ingericht om hem financieel te ondersteunen. Cf. M. Vaes, Ons land te Rome, pp. 87-88. ***

[43]  Afbeelding in M. Vaes, Ons land te Rome, p. 63; De Brabandere - De Groof, 1000 jaar S. Giuliano, p. 122. Raphael Cledina (Luik, 1889 - 1980) was van 1920 tot 1925 bursaal van de Fondation Lambert Darchis. Tot de collectie kunstwerken van zijn hand in bezit van die Fondation behoren 'Albanomeer en Monte Cavo' en 'Albanomeer', beide uit 1925. In dat jaar werd ook voor hem een ondersteuningstentoonstelling in S. Giuliano georganiseerd. Bovendien decoreerde hij een ruimte achterin op de binnenplaats van het complex van S. Giuliano, die bij gelegenheid van het Heilig Jaar 1925 als slaapzaal voor scouts e.d. werd ingericht. Cf. M. Vaes, Ons land te Rome, pp. 64 en 87-88; W. Pas - G. Pas, Biografisch lexicon Plastische kunst in België: schilders, beeldhouwers grafici, 1830-2000 (Antwerpen, 2000), I, p. 139.

[44]  Valère Saive (Bressoux, 1908 - Luik, 1987) was van 1933 tot 1937 bursaal van de Fondation Lambert Darchis. In 1934 werd een tentoonstelling voor hem ingericht in de lokalen van de Stichting Marie-José en het Belgisch Historisch Instituut te Rome. In de collectie van bursalen van de Fondation bevindt zich van hem een Pietà uit 1938. Cf. M. Vaes, Ons land te Rome, pp. 87-88; Pas - Pas, Biografusch lexicon Plastische kunst in België, II, p. 304.

[45]  Het bladnummer '20' ontbreekt, zodat de telling meteen van 19 op 21 springt.

[46]  Prinses Marie-José (1906-2001), dochter van Albert en later gehuwd met de Italiaanse kroonprins Umberto, heeft in het broederschapsboek van S. Giuliano geen sporen nagelaten.

[47]  Blijkbaar niet gepubliceerd. Het gedicht komt in ieder geval niet voor in de Verzamelde gedichten.

[48]  Cf. De Brabandere - De Groof, 1000 jaar San Giuliano, p. 123.

[49]  Toe[co]<m>menden: toekomenden Vaes, p. 65, n. 2.

[50]  totter eeren: totte heeren Vaes, p. 65, n. 2.

[51]  ordonna[n]tien: ordonnatien ms. Vaes.

[52]  treckende: trekende Vaes, p. 65, n. 2.

[53]  stelle[n]: stelle ms. stellen Vaes, p. 65, n. 2.

[54]  staet: staat Vaes, p. 65, n. 2.

[55]  Tes wel ... alder eerst: om. Vaes, p. 65, n. 2.

[56]  Deze regel in sierletters.

[57]  wel>

[58]  p<a>pe: papae Vaes.

[59]  dat: het Vaes.

[60]  es: is Vaes.

[61]  naer: naar Vaes.

[62]  beede: bede Vaes.

[63]  de om. Vaes.

[64]  de om. Vaes.

[65]  voorseyde: voorzeyde Vaes.

[66]  vlaenderen: Vlaendren Vaes.

[67]  meesten dele: meestersdele Vaes.

[68]  rekeninghe: rekeninghen Vaes.

[69]  ende: endie Vaes.

[70]  te: ten Vaes.

[71]  hospitaele: hospitale Vaes.

[72]  voirseydt: voirzeydt Vaes.

[73]  vp: op Vaes.

[74]  wel>

[75]  wel>

[76]  etc. om. Vaes.

[77]  dynct: dunct Vaes.

[78]  Item: m corr. boven op onleesbare letter (l?).

[79]  pellegrine<n>: pellegrinnen Vaes.

[80]  Vlaendren: Vlaenderen Vaes.

[81]  ghelts: ghelt Vaes.

[82]  zyn: corr. boven op 'de'.

[83]  gheouden: ghehouden Vaes.

[84]  laeten langher:  laeten langher laeten ms. Vaes.

[85]  zoo: eerste o uitgesmeerd, waarschijnlijk tijdens het schrijven (inktbobbeltje).

[86]  biechten: bichten Vaes.

[87]  siecken: ziecken Vaes.

[88]  gheraect: gheraet Vaes.

[89]  sal: zal Vaes.

[90]  sullen: zullen Vaes.

[91]  es: is Vaes.

[92]  laeten: laten Vaes.

[93]  eer: add. supra lin.

[94]  genen: lijkt (latere) correctie voor 'gonen'.

[95]  sullen: zullen Vaes.

[96]  d[i]e: de ms. die Vaes..

[97]  broederschap: broederscap Vaes.

[98]  es: is Vaes.

[99]  doen maken ... es ende om. Vaes.

[100]        es: is Vaes.

[101]        es: is Vaes.

[102]        van om. Vaes.

[103]        vprechten: oprechten Vaes.

[104]        vlaenderen: Vlaendren Vaes.

[105]        1589: ante corr.: 1599.

[106]        1627: ante corr.: 1626.

[107]        M. Vaes, Ons land te Rome, p. 40, identificeert deze met de schilder Cornelius de Wael.

[108]        'M. B. S. Amandi'.

[109]        Doorgehaald in 1705.

[110]        Doorgehaald in 1705.

[111]        Later doorgehaald.